levend monument in de slangenburg


Bij toeval kwam ik in aanraking met een gast op kasteel Slangenburg, Everdina Ebbers, geboren in 1927. Zij komt oorspronkelijk uit deze omgeving. Ze is een dochter van de bijna 103 jaar geworden Hendrik Ebbers. Hij overleed in 1993 en had voor de Tweede Wereldoorlog een klompenmakerijtje aan de Loordijk in IJzevoorde.
Na de dood van zijn vrouw moest hij deze zaak opgeven en ging hij verder als arbeider. Daarnaast boerde hij een beetje met een paar koeien en zo pachtte hij ook van de Duitse familie Passmann van kasteel Slangenburg een stukje land voor graan en aardappelen bij de vijvers, waar in die tijd veel pruimenbomen stonden. We kwamen over die tijd aan de praat, waarbij lovend over de familie Passmann werd gesproken.
Pruimen mocht je absoluut niet rapen, laat staan plukken, maar als de oogst binnen was, mocht je in het koetshuis wel je buik vol eten. Tegen deze achtergrond en terugblikkend op de belevenissen in het verleden was het voor haar heel bijzonder op het kasteel te logeren.

Aan de Loordijk en in de hele omgeving van Slangenburg waren in de oorlog veel onderduikers ondergebracht. Everdina trouwde zelfs een onderduiker en zo kwam het gesprek op een door een andere gast ontdekte inscriptie uit de oorlogstijd, gekerfd in de bast van een beuk op het landgoed. Hoewel ik veel op Slangenburg heb rondgelopen, was daar nooit mijn oog op gevallen. Navraag bij de boswachter en in de omgeving brengt aan het licht, dat sommigen er wel van weten of er wel eens van gehoord hebben. Meestal is men van het bestaan helemaal niet op de hoogte. Tijd om eens op zoek te gaan om de juiste gegevens te achterhalen. Een speurtocht door Slangenburg, in Drempt en in Aerdt heeft een redelijk compleet beeld opgeleverd en het verhaal achter het levend monument op Slangenburg wil ik u dan ook niet onthouden.

De oorspronkelijk diepe insnijding in de beuk in de laan aan de Holdrostweg, aan de linkerkant, juist rechts van het eerste pad naar links, luidt:


A de Vries uut Aerdt

EKW     B131

1 / 4 1945

den dag van den bevrijding

kippenhok

bij J Til

Slangenburg


Voor ons Doetinchemmers is natuurlijk de eerste april als dag van de bevrijding een begrip. Betreft de inscriptie een ontboezeming van een geredde onderduiker uit het kippenhok bij Til op ’t Park, zoals de meeste mensen, die er iets van wisten, denken? In het geheel niet!



Ons eerste aanspreekpunt is de huidige boer op ’t Park, Bart Winters, die sinds 1966 de boerderij pacht, nadat tientallen jaren de familie Til op ’t Park heeft gewoond.
A. de Vries is het hoofd van een familie De Vries uit Aerdt, die bestond uit evacués. Het gehele gezin heeft daar gewoond in een kippenhok, dat ver van de boerderij was gebouwd, dichtbij en parallel aan de Holdrostweg. Vanwege het voorkomen van bloedluis bij kippen bouwde men de hokken graag wat verder van de boerderij. In onze buurt waren mensen uit de Betuwe en van het Gelders Eiland geëvacueerd, zo ook bij de familie Winters, toen op ’t Loor aan de Loordijk. De heer Winters weet nog te vertellen, dat een zoon van De Vries een tiental jaren geleden nog eens op bezoek is geweest, maar verder?




door Jan Berends



Hij verschaft me nog de adressen van afstammelingen van de familie Til en zo kom ik uiteindelijk terecht bij Henny Til-Til in Drempt. Zij vertelt kort haar familieverhaal. De eerste pachter op Slangenburg in deze familie is Jan Bernard Til, geboren in Hummelo & Keppel, die in 1912 trouwde met Hentje Bulten. Een langdurig huwelijk, want ze worden oud en vieren uiteindelijk hun 65-jarig huwelijksfeest. De nieuwe pachter Bernard, zoals hij in de wandeling wordt genoemd, komt van kasteel Enghuizen. Door vriendschappelijke betrekkingen tussen de Passmanns van Slangenburg en de bewoners van Enghuizen zou hij als pachter gevraagd zijn voor ’t Park. Volgens eigen zeggen was Bernard huisknecht op het kasteel Enghuizen. De familie kan dat nauwelijks geloven, want hij deed later nooit iets in huis…

Het echtpaar Til krijgt vier kinderen: Jan, later boer op ’t Park, Bernard, die een maalderij had in Gaanderen, Herman, de onderwijzer en Mina, die boer Bongers trouwt. Jan Til trouwt met Anna Dales en in 1940 wordt hun enig kind geboren, Henny. Beide gezinnen leven op ’t Park en dat dat niet altijd meevalt is wel te begrijpen. In deze situatie komt het gezin De Vries uit Aerdt terecht, een kwekersgezin met vijf zoons en een dochter. Hiervan kan Henny Til, vijf jaar aan het einde van de oorlog, zich niet zo veel meer herinneren. Wel komt er een foto van de familie voor het kippenhok op tafel en de meeste namen komen in gedachten. Ook weet ze nog goed, dat bij de bevrijding de vijf jongens De Vries de Canadese chocolade, heel toepasselijk, al snel soldaat hadden gemaakt en er zo voor haar alleen een witte boterham overbleef, toen toch ook een traktatie.
Na de oorlog was er nog regelmatig contact met deze gezellige mensen en kwamen vader Jan Til en moeder Anna beladen met tomaten, appels, peren en sla terug van het Gelders Eiland.
Na de dood van moeder Maria de Vries in 1961 en moeder Anna Til in 1965 verloopt het contact. Jan Til geeft het boeren op ’t Park op in 1966 en trekt naar zijn dochter Henny in Drempt, waar hij enkele koeien weidt.

Er waren in de eindfase van de oorlog behalve de evacués ook veel onderduikers op de boerderij. Oude foto’s zijn van de onderduiker Van der Linden uit Rotterdam, die fotograferen als hobby had. Tot slot komt het adres van de familie De Vries uit Aerdt tevoorschijn en zo kunnen we in een gesprek met Wim de Vries proberen onze laatste vragen beantwoord te krijgen.

Het gezin van Anthonius de Vries en Maria Hasse had vijf zoons en een dochter. Vader Anthonius was begonnen als groentehandelaar in Lobith, maar bouwde in 1932 bij Aerdt de Rogkamp en stichtte daar een groentekwekerij. Zijn producten verkocht hij als groenteman, op de veiling en ook aan de parlevinkers in Tolkamer. Op de Rogkamp kwam het eerste contact tussen de families Til en De Vries tot stand. Begin 1945 waren vader Bernard en zoon Jan Til gevorderd door de Duitsers om met paard en wagen voor de Organisation Todt werkzaamheden te verrichten op het Gelders Eiland.
In de buurt van de kwekerij De Vries op Rogkamp kwamen zij door Engels vuur in gevaar en konden ze schuilen in de kelder bij de familie De Vries. Bij het afscheid, de volgende morgen, na deze ingrijpende gebeurtenis, beloofde Til, dat als de familie De Vries ooit hulp nodig zou hebben, Tils huis op Slangenburg open zou staan. Zo vreemd was dit aanbod niet, want de Rogkamp was al eens gevorderd geweest voor de Duitse staf en er waren veel vluchtelingen uit de Betuwe in het gebied. En het front kwam nader.

Op 15 februari 1945 was het zover, het Gelders Eiland moest ontruimd worden in verband met de ‘Krieg am Niederrhein’. Omdat de paarden gevorderd waren, probeerde men een koe voor de wagen te spannen. Dit lukte niet en na veel soebatten kreeg men een aftands paard van de Duitsers mee. Zo kwam de familie in Stokkum terecht, waarna vader De Vries op de fiets naar Slangenburg trok om naar betere mogelijkheden om te zien. En zie, de familie De Vries kon in het ruime kippenhok op ’t Park terecht. Hiervan werd dankbaar gebruik gemaakt.

Gevraagd naar de waarschijnlijk moeilijke omstandigheden komt er niets anders dan lof. Het voorjaar was zacht. Het kippenhok was schoon en groot en kon in woon- en slaapruimte worden verdeeld. Het leven in het bos was voor de kinderen spannend en uitdagend. De verzorging door de familie Til was prima, aan voedsel kwam men niets te kort, ook al omdat vader De Vries vanuit Aerdt hammen en ander vlees had weten mee te brengen. Het wat zure brood werd gehaald bij de molen van Vels aan de Varsseveldseweg.

Henny Til uit een protestants gezin, die veel bij de familie was en mee aan tafel zat, maakte zich wel ongerust over de manier van bidden van de gasten in het kippenhok. Kruisjes slaan en andere roomse rituelen, enzovoort maakten haar ongerust. Ze zei: ‘Ze willen ons rooms maken!’ En dat was wat in deze streek. (De paters moesten toen nog komen met alle latere onrust van dien).

Een naar avontuur beleeft de familie met de enige dochter Fia. Zij heeft kleertjes gekregen van een aan difterie bezweken nichtje. In de nacht van 20 op 21 maart wordt Fia doodziek. Jan Til trekt door de donkere Slangenburg naar Gaanderen om de dokter te halen en na diens komst moet het meisje dezelfde nacht nog met spoed naar het ziekenhuis. Een hachelijke onderneming, waarbij men regelmatig werd aangehouden en gecontroleerd. De dag daarop vindt het grote bombardement op Doetinchem plaats. In deze rampnacht wordt zusje Fia gered. Bij kaarslicht wordt door de doktoren een buisje in haar keel aangebracht, anders zou ze gestikt zijn.

En dan is de bevrijding in zicht. Het is op ’t Park nog even spannend. De zeven onder een houtmijt ondergebrachte onderduikers, voorzien van wapens, zijn vast van plan de Duitsers te verhinderen de brug over de Bielheimerbeek te laten opblazen. Gelukkig is ingrijpen niet nodig en zo snijdt vader De Vries op 1 april 1945 zijn verhaal in de boom aan de Holdrostweg achter zijn tijdelijke verblijf.



Een tweetal vragen blijft nog over. Ten eerste: wat betekenen EKW en B131? Zoon Wim, die in 1945 vijftien jaar oud was, geeft de oplossing: EKW betekent geëvacueerd en B131 was het huisnummer van hun huis in Aerdt, de Rogkamp, nu Beuningsestraat 12. Mijn tweede vraag over de foto, waarom er een Franse vlag hangt aan het kippenhok, heeft ook een prozaïsche verklaring. Ze hadden een Nederlandse vlag verkeerd aan de paal vastgemaakt!

Op 22 april kan de familie terug naar hun huis en bedrijf in Aerdt, dat vrijwel onbeschadigd is gebleven. De Tils brengen hen terug, want het oude, wat kreupele paard, dat was gestald op een boerderijtje tegenover de Westhoeve, was weg. Bij een gevreesde vordering had de boer daar zijn goede paard in het bos verstopt en zo namen de Duitsers het oude paardje van de familie De Vries mee.

En daarna? Alles gaat verder zoals het gaat. Eenieder leeft zijn eigen leven, mensen sterven en herinneringen vervagen en verdwijnen. Is in de verschillende gesprekken een levend monument op Slangenburg iets levendiger geworden?



N.B.: Met dank aan: mevrouw Everdina van Kessel-Ebbers te Hattem, de heer Bart Winters op ’t Park te Doetinchem, mevrouw Henny Til-Til te Hummelo en de heer Wim de Vries te Aerdt.
Dit artikel is gepubliceerd in De Kronyck, het blad van de Oudheidkundige Vereniging Deutekom. We zijn de redactie erkentelijk voor het feit dat we het artikel ook hier mogen plaatsen.