De negen* gesneuvelde Calgary Highlanders tijdens de bevrijding
van Doetinchem op 1 en 2 april 1945






Dit is het verhaal over negen jonge mannen die zich tijdens de Tweede Wereldoorlog in Canada aanmeldden voor actieve dienst overzee.


door Sigrid Norde


Op 9 september 1939 stemt het Canadese parlement vrijwel unaniem in met een oorlogsverklaring aan Duitsland. Het parlement gaat ervan uit dat er een beperkte inspanning geleverd hoeft te worden. Het leveren van grondstoffen, voedingsmiddelen en munitie en het trainen van de bemanning van de Britse Royal Air Force lijken hoofdzaak te zijn. Mannen worden actief ontmoedigd zich aan te melden voor de infanterie. Het invoeren van de dienstplicht zal niet nodig zijn.

In het voorjaar van 1940 veranderen de omstandigheden volledig. De Britten worden verdreven van het vasteland van Europa en Frankrijk wordt bezet. De focus komt nu te liggen op de strijdkrachten. In 1940 wordt alsnog de vrijwillige dienstplicht ingevoerd, de N.R.M.A., de National Resources Mobilization Act. Beschikbare mannen worden opgeroepen zich te registreren om in dienst te gaan, in eerste instantie om het thuisland Canada te verdedigen. Later worden deze mannen ook ingezet voor dienst overzee en worden aangespoord zich aan te melden voor actieve dienst. Vier van de negen in Doetinchem gesneuvelde soldaten geven hier gehoor aan.

De Canadese strijdkrachten zijn in eerste instantie actief in Hong Kong en tijdens de (mislukte) aanval op Dieppe (Frankrijk), maar vooral, vanaf 1943, in Italië. Tijdens D-Day, de invasie in Normandië op 6 juni 1944, krijgen de Canadezen één invasiestrand toegewezen, Juno Beach, om deel te kunnen nemen aan de bevrijding van Europa.
Ruim 1.000.000 Canadezen, waarvan 50.000 vrouwen, hebben hieraan een bijdrage geleverd. Ongeveer 42.000 van hen sneuvelen in de strijd. Negen van hen in de straten van Doetinchem.

“Victory was in the air. Great armies poised for the final battles to topple the last bastions of Nazism and bring Hitler’s Thousand Year Reich crashing down twelve years after it arose. (…)
The First Canadian Army had been united for the final offensives of the war.(…)
The Dutch were starving, the Germans were beaten, and the men wanted to return home to Canada.
David Bercuson
Battalion of Heroes, 1994


Ter nagedachtenis aan:


Private Walter Edward Brown

Private Archibald James Code

Private Alex Elchuk

Private Henry Carl Johnson

Private Alfred William Ogg

Corporal James Prentiss Sands

Private Clyde Alexander Spencer

Private Archibald William Thompson

Private Stanley Edward Turner



Negen heel gewone jongens


Walter Edward Brown

Private
The Calgary Highlanders, R.C.I.C
M-1401



Walter Edward Brown, door zijn vrienden Bud genoemd, wordt op 9 januari 1925 geboren op een boerderij in Lashburn, Saskatchewan, Canada. Lashburn is een dorp, opgericht in 1905 na het aanleggen van een spoorlijn. Het dorp werd na de eerste wereldoorlog populair bij immigranten uit Groot Brittannië en andere delen van Europa.
Zijn ouders, William George en Emma Beatrice hebben na hun huwelijk in 1910 zeven kinderen gekregen. Walter Edward heeft drie broers; James (Jim), George en John (Jack). En drie zussen; Beatrice Ruth, Emma Bernice en Sarah Gene.Walter Edward bezoekt de United Church.
Onderwijs volgt Walter Edward tot ‘Grade 6’ in Regina. Hij is 13 jaar wanneer hij het onderwijs verlaat.
Voordat hij zich aanmeldt bij het leger werkt Walter Edward twee jaar bij de Canadian National Railways, Bridge & Building in Edmonton, Alberta als assistent-werktuigbouwkundige.


Archibald James Code                                 

Private
The Calgary Highlanders, R.C.I.C.
B - 148073



Archibald James Code, Archie, wordt op 26 oktober 1916 geboren in Cobden, Ontario. Hij is de zoon van John en Elizabeth Jane Code. Vader John komt oorspronkelijk uit een Ierse familie, Moeder Lizzy uit een Deense familie, zij trouwen op 28 november 1906. Moeder Lizzy sterft op 25 januari 1933, Archie is dan 16 jaar oud. Zijn vader, in 1943 postbode te Cobden, bereikt de gezegende leeftijd van 101 en sterft op 5 april 1981.
Archie heeft twee oudere broers, George en John Ross, en twee oudere zussen Christina Barbara Hoye en Irene Lillian (Lilly) McLaren. Broer John Ross, legernummer: C-100900, is sinds juni 1943 overzees in de R.C.O.C.

.

Het ouderlijk huis in Cobden


Zus Irene krijgt twee kinderen. Op 21 oktober 1932 wordt zoon Jack geboren. Een jaar later krijgt hij een broertje, maar verdrietig genoeg sterft dit jongetje vlak na de geboorte. Dit maakt Jack de enige neef van Archie. Jack trouwt in 1954 met Janice Grace Orr en ze krijgen vier kinderen; Donald Archie, Robert Wayne, Lyle Esten en Judi Irene. Aangezien George, John Ross en Christina kinderloos blijven zijn de zoon van Irene en zijn vier kinderen de enige nabestaanden in de familie van Private Archie Code.
Archibald James Code is lid van de Presbyterian Church. Hij doet het goed op school tot hij naar de middelbare school gaat. Grade 7 haalt hij nog, maar in Grade 8 zijn zijn cijfers te laag en zo verlaat hij op veertienjarige leeftijd het onderwijs.

Tussen 1930 en 1942 heeft Archie verschillende baantjes. Hij gaat als schoolverlater twee jaar lang aan het werk op de boerderij van zijn broers. Dan verlaat hij de boerderij en zijn familie en werkt onder andere als staalwerker, in de bosbouw, in een goudmijn, in fabrieken, op zeilbootjes en als barman. Ook is hij brandweerman en stoker op stoomschepen die graan vervoeren over de meren van West naar Oost Canada. Jack McLaren herinnert zich dat er gesproken wordt over het harde bestaan op deze schepen. Het laatste jaar voor zijn aanmelding bij het leger werkt Archie als ijzergieter bij Barber Die Casting Company in Hamilton, Ontario. Hij verdient dan 50 dollar per week. Het bedrijf heeft aangegeven dat Archie na zijn diensttijd mag terugkeren als ijzergieter. In zijn vrije tijd speelt hij soms honkbal en ijshockey.


Alex Elchuk

Private
The Calgary Highlanders, R.C.I.C.
M - 39751

Alex Elchuk wordt op 16 juli 1918 geboren in Desjarlais, Alberta, Canada. Zijn ouders zijn Theodore en Dora Elchuk, beide geboren in Oostenrijk. Hij heeft drie oudere broers, William, George en John en één jongere broer, Metro. Alex heeft ook twee oudere zussen, Jennie en Mary en één jonger zusje, Annie. Ook heeft hij nog een oudere halfbroer, Mike. Zijn moeder is in het najaar van 1935 gestorven, Alex is dan achttien jaar oud.
Alex is Rooms Katholiek maar bezocht nooit de kerk tot hij in dienst trad.
Na acht jaar lagere school verlaat Alex op zijn veertiende het onderwijs. Hij doet dat om mee te kunnen werken op de familieboerderij. Zelf bezit hij ook land, 160 hectare in Wandering River, Alberta. Na de oorlog is dat de plek waar hij zich wil gaan vestigen. In zijn vrije tijd speelt hij basketbal, leest en schrijft, rookt een sigaret en houdt hij van een drankje.


Henry Carl Johnson                       

Private
The Calgary Highlanders, R.C.I.C
K - 4072


Henry Carl Johnson wordt, volgens de gegevens in zijn Service Files, op 20 november 1920 geboren in Saskatoon, Saskatchewan. Hier is enige onduidelijkheid over. Zijn jongere zusje Asta is geboren in Bergen, Noorwegen en emigreert, volgens haar overlijdensbericht, met de hele familie op vijfjarige leeftijd naar Canada. Het is dan 1927.
Dat zou betekenen dat Henry Carl toen 7 jaar oud was. Dus ook hij zou geboren kunnen zijn in Noorwegen. Hij is de enige zoon van Carl Johnson, geboren in Zweden, en Borghild Hansen, geboren in Noorwegen. Henry Carl heeft een oudere zus, Carrie (Karen) Ramsay en een jongere zus, Asta Borghild McLean.|
Henry Carl Johnson is lid van de United Church.
Na acht jaar Public School in South Westminster verlaat hij in 1934, na Grade 8, op zijn veertiende het onderwijs en gaat voor vier jaar aan het werk op een houtzagerij in New Westminster. B.C. Daarna werkt hij anderhalf jaar in een dozenfabriek en als timmerman bij een ramen-en kozijnenfirma. Ergens loopt hij letsel op waardoor hij anderhalf jaar niet kan werken.


Ogg, Alfred William                      

Private
The Calgary Highlanders, R.C.I.C.|
K-51187

Alfred William Ogg, Freddie, is op 29 maart 1924 geboren in Rossland, British Columbia, Canada.
Zijn ouders zijn Alfred William Ogg en Mary Margaret Ife. Hij krijgt twee zusjes, Mary Margaret en Doris Louise en één broertje, Percy Robert. Zijn vader werkt als automonteur. De familie bezoekt de United Church.

Als Freddie drie jaar oud is, sterft zijn zusje Mary Margaret aan kinderverlamming en als hij tien jaar oud is overlijdt zijn vader. Zijn moeder hertrouwt op 2 juli 1935 met Jack Bradley. Jack is van beroep ijzersmelter.
Freddie bezoekt de Rossland High School tot Grade 10. Zijn favoriete vakken zijn natuurkunde en wiskunde; hij speelt graag softbal en ijshockey. Hij verlaat de school op 17-jarige leeftijd zonder diploma.
In de twee jaar tussen het verlaten van de school en zijn aanmelding bij het leger werkt Freddie in de mijnen en als hulpje bij een timmerman. Maar het grootste gedeelte van de tijd is hij melkboer en brengt de melk bij de mensen thuis. Hij kan autorijden en een kleine pick-up truck besturen en hij voert zelf kleine reparaties aan zijn voertuigen uit.
In zijn vrije tijd gaat hij graag jagen of zwemmen en luistert hij naar muziek, maar van dansen houdt hij niet. Hij rookt wel, maar drinkt niet. Hij leest graag tijdschriften over vliegtuigen en auto’s en bouwt modelvliegtuigjes.


James Prentiss Sands

Corporal
The Calgary Highlanders, R.C.I.C.
M – 36552



James Prentiss Sands wordt op 14 maart 1921 geboren op een boerderij in Rocky Mountain House, Alberta, Canada.
Zijn ouders zijn Jim Hekob en Eleanor Loretta. Hij heeft één broer, Cecil Nelson. Of zijn vader Jim is overleden is niet duidelijk. Wel zeker is dat zijn moeder hertrouwt met Clarence Sever Sands, dan vader van vier kinderen, Gertrude, Myrtle, Johnny en Carlyle. Na dit huwelijk verandert Prentiss zijn achternaam in Sands. Zijn broertje Nelson blijft altijd de achternaam Hekob gebruiken. Samen krijgen Clarence en Eleanor nog 5 kinderen, vier zonen en één dochter, Sammy, Chester, Marion, Billy en Larry.
Wanneer Chester nu, in 2018, aan Prentiss terugdenkt, dan beschrijft hij een lange, dunne en rustige jongeman.


Op de voorgrond van links naar rechts: Nelson en Prentiss. Achterste rij van links naar rechts: Carlyle, ?, Clarence, Ralph Fry (de echtgenoot van Gertrude), Eleanor Loretta, Johnny. Datum: ongeveer 1931


Prentiss is lid van de Church of England. Na 5 jaar lagere school verlaat Prentiss op zijn twaalfde het onderwijs.


Spencer, Clyde Alexander                

Private
The Calgary Highlanders, R.C.I.C.
G - 1890

Clyde Alexander Spencer wordt geboren op 5 mei 1924 in Parker’s Ridge, N.B. Zijn beide ouders zijn van Schotse komaf. Zijn vader, Harvey Tennyson Spencer is een Eerste Wereldoorlog veteraan en dient in de Veterans Guard of Canada. Moeder Mary Elizabeth overlijdt in december 1929, Clyde Alexander is dan pas vijf jaar oud. Samen met zijn broertje Leon George wordt hij opgevoed door zijn vader en grootmoeder. In 1943 hertrouwt zijn vader, Clyde Alexander blijft liever bij zijn grootmoeder en gaat bij haar wonen.
Clyde Alexander is Baptist.
Hij doet het goed op school. Van zijn zesde tot zestiende bezoekt hij een school in Parker’s Ridge. En hoewel hij er veel plezier in heeft stopt hij halverwege Grade 8 om te gaan werken zodat hij zijn eigen brood kan gaan verdienen. In de zomer werkt hij op boerderijen en in de winter is hij houthakker. In zijn vrije tijd speelt hij graag softbal of gaat zwemmen, vissen, jagen of skiën. Hij leest graag fictie en kranten. Drinken doet hij niet. De laatste vijf maanden voor zijn aanmelding werkt hij bij Arthur Burnett in Springhill, N.B. Na de oorlog wil hij graag bij deze werkgever terugkeren.


Thompson, Archibald William                 

Private
The Calgary Highlanders, R.C.I.C
L - 107032



Archibald William Thompson wordt geboren op 25 juli 1924 in Herbert, Saskatchewan. Zijn ouders zijn Robert en Mary Thompson, beide van Schotse komaf. Moeder Mary overlijdt op 18 december 1931, vader Robert op 15 februari 1932. Dat maakt Archibald op 7-jarige leeftijd wees. Samen met zijn zus Laura en zusje Jessie groeit hij op bij zijn grootmoeder in Herbert.
Wanneer Archibald in dienst treedt is zijn zus Laura getrouwd met Wesley Harry Janzen en is lerares, Jessie gaat nog naar school.
Archibald William is lid van de United Church of Canada.
Van zijn 6e tot 18e gaat Archibald naar een school in Saskatchewan. Hij gaat over naar Grade 11, maar maakt het jaar niet af. Tijdens vakanties werkt hij als knecht op boerderijen en heeft daar tractor leren rijden. Zijn laatste werkgever is Fred Lietz in Herbert. In zijn vrije tijd speelt hij softbal, gaat biljarten en doet hij enthousiast aan curling. Hij kan niet zwemmen en houdt niet van lezen. Waar hij wel van houdt zijn meisjes, hij zit op dansles en gaat naar shows.


Turner, Stanley Edward                  

Private
The Calgary Highlanders, R.C.I.C.
M - 39575

Stanley Edward Turner wordt geboren op 6 augustus 1919 in Fort Saskatchewan, Alberta. Zijn ouders zijn William Henry en Annie Turner. Annie is van geboorte een Britse. Bij indiensttreding van Stanley Edward wordt vermeld dat beide ouders zijn overleden, maar wanneer is niet duidelijk. Stanley Edward woont bij zijn stiefmoeder, Maggie Turner. Ook heeft hij een stiefbroer, George Ellis en één oom; George Arthur Turner.
Stanley Edward is lid van de Church of England.
Aan het einde van Grade 6, op vijftienjarige leeftijd, verlaat Stanley Edward het onderwijs om te gaan werken op een boerderij. Daar leert hij om op een tractor, vrachtwagen en auto te rijden en deze te repareren. Na de oorlog wil hij graag terugkeren op de boerderij in Balsam Grove, Alberta.


National Resources Mobilization Act


Alex Elchuk, Henry Carl Johnson, Archibald William Thompson en Stanley Edward Turner geven gehoor aan de oproep om vrijwillig in dienst te gaan.
Op 17 april 1941 meldt Alex Elchuk, dan 22 jaar oud, zich in Calgary, Alberta, voor zijn dienstplicht. Hij krijgt dan legernummer: M - 600521. Hij is op dat moment woonachtig in Desjarlais, Alberta, en werkt op de boerderij van zijn vader. Is vrijgezel, heeft blauwe ogen, donker haar, een lichte huidskleur en een litteken bij zijn bovenlip. Hij is 1,76 meter lang en weegt 73 kilo. Hij heeft geen ervaring in welk legeronderdeel dan ook. Bijzonder is dat hij in zijn aanmeldingsformulieren aangeeft dat hij Oekraïens spreekt. Hoewel zijn ouders zijn geboren in Oostenrijk is de familienaam Elchuk veel voorkomend in Oekraïne. Het zou dus mogelijk kunnen zijn dat thuis de taal van zijn voorouders nog gesproken wordt. Alex geeft aan de taal niet te kunnen lezen.
Zijn eerste training van 60 dagen volgt hij in het Camrose Training Centre, no. 131, Alberta.
De training voor gevorderden volgt hij in A-18 ATC (Advanced Training Centre) in Dundurn. Tijdens zijn verblijf in de trainingscentra krijgt hij twee keer een AWOL-aantekening (absent zonder toestemming) hiervoor moet hij onder andere 3 dagen loon inleveren. Op 26 augustus 1941 wordt hij ingedeeld bij de Rocky Mountain Rangers, een reserve infanterie regiment, en gestationeerd in Kamloops, Nanaimo en Westminster. In oktober en november krijgt hij veertien dagen betaald verlof. In november keert hij na deze twee weken één dag te laat terug op de kazerne en krijgt opnieuw een AWOL-aantekening en moet één dag loon inleveren. Op 6 december wordt hij met zware griep opgenomen in het kamp ziekenhuis. In april 1942 verblijft Alex in Colwood Camp, B.C. In maart 1943 haalt hij, wederom in Nanaimo, zijn vrachtwagenrijbewijs.

Op 16 april 1942 meldt Henry Carl Johnson, 21 jaar oud, zich in Vancouver, B.C., voor zijn dienstplicht. Hij krijgt legernummer: K - 602152. Hij is op dat moment woonachtig aan 1504 Old Yale Road, R.R. #4 in New Westminster, B.C., bij zijn ouders.
Hij is gezond en vrijgezel, heeft een gemiddelde intelligentie, blauwe ogen, lichtbruin haar en een lichte huidskleur. Hij is 1,72 meter lang en weegt 65 kilo. Zijn hobby is het sleutelen aan zijn auto, hij houdt niet van sport maar gaat af en toe wel jagen en vissen. Lezen doet hij weinig.
Hij heeft geen ervaring in welk legeronderdeel dan ook. Zijn voorkeur gaat uit naar werken als stoker bij de Canadese marine. Maar door eerder opgelopen inwendig letsel wordt hij medisch gezien niet fit genoeg bevonden voor dienst overzee. Hem wordt een operatie aangeraden als dat zijn doel is. Bijzonder is dat hij in zijn aanmeldingsformulieren aangeeft dat hij Noors spreekt en leest.

Zijn eerste training van acht weken vindt plaats in het trainingscentrum #110 in Vernon, B.C. waarna nog een training volgt van vijfenvijftig dagen in trainingscentrum A-16 in Calgary, Alberta. Echter, in Vernon, ligt hij een groot gedeelte van de tijd, 30 dagen, in het ziekenhuis. In eerste instantie in het Esquimalt Military Hospital, later in het Victoria Military Hospital. Wat er precies aan de hand is, is niet meer te achterhalen, maar het zou te maken kunnen hebben met de operatie die de medische dienst hem heeft aangeraden om in overzeese dienst te kunnen treden. Op 22 september 1942, na het afronden van zijn training, wordt Henry Carl ingedeeld bij de Winnipeg Grenadiers in Prince Rupert, B.C. Daar wordt hij op 28 januari 1943 bevordert tot Lance Corporal. Drie maanden later wordt hij bevorderd tot Corporal. De eerste week van de maand mei brengt hij door in het Prince Rupert Military Hospital.
Hoewel er geen aanmeldformulier voor N.M.R.A. in de Service Files van Archibald William Thompson te vinden is, lijkt hij hier wel gehoor aan te hebben gegeven. Na het verlaten van zijn school is hij vanaf december 1942 tot oktober 1943 ingedeeld bij de King’s Own Rifles of Canada in Herbert.
Op 19 maart 1941 meldt Stanley Edward Turner zich aan in Calgary, Alberta, voor zijn dienstplicht. Hij is dan 21 jaar oud, werkt op de boerderij in Balsam Grove en krijgt legernummer: M – 600050. Hij is gezond, vrijgezel, 1,72 meter lang, weegt 75 kilo, heeft blauwe ogen, bruin haar en een donkere huidskleur. Op de vingers van zijn linkerhand zitten littekens.

De eerste 57 dagen van zijn diensttijd brengt hij door in Camrose trainingscentrum. Hij ligt hier vijf dagen in het ziekenhuis met Rodehond.
Daarna volgen nog 48 dagen in het trainingscentrum in Red Deer, Alberta.


Barak, A-20 kamp Red Deer, 1940


Om onbekende redenen krijgt hij na zijn tijd in Red Deer uitstel van zijn diensttijd. In november 1941 meldt hij zich echter weer in Calgary waar hij wordt ingezet in het District Depot. Maar van 22 november tot 23 december is hij afwezig zonder toestemming en moet 32 dagen loon inleveren. In juli 1942 krijgt hij een maand verlof, zeer waarschijnlijk om te helpen bij het oogsten op de boerderij. Bij terugkomst word hij overgeplaatst naar het Experimental Station Sufffield, Alberta, een militair onderzoeksstation, vijf kilometer ten noorden van Suffield. Hier werden tijdens de tweede wereldoorlog Britse en Canadese militairen getraind in het gebruik van biologische- en chemische wapens en de verdediging tegen deze wapens. Stanley Edward verblijft hier de hele maand augustus en keert dan terug naar Calgary. In december 1942 ligt hij vijf dagen in het Mewata Military Hospital. Stanley Edward blijft daarna lang in Calgary, tot 17 januari 1944. De laatste maanden van zijn dienstplicht brengt hij door in het trainingscentrum in Duncan, British Columbia.


De Slag om Kiska

Alex Elchuk en Henry Carl Johnson worden tijdens hun N.R.M.A.- diensttijd ingezet bij de Slag om Kiska. Kiska is een eiland dat hoort bij de staat Alaska, U.S.A. en is bezet door de Japanners. Om de Japanners te verslaan wordt een enorme Amerikaanse – Canadese troepenmacht ingezet, de Greenlight Force. De Canadese troepenmacht bestaat uit de Winnipeg Grenadiers, de Rocky Mountain Rangers en de Canadian Fussiliers.

Alex en Henry worden op 12 juli 1943 vanuit Nanaimo verscheept naar Adak, Alaska. Op 16 augustus 1943 wordt Kiska heroverd, de Japanners zijn dan al gevlucht.
De maanden daarna verblijft de Greenlight Force op Kiska voor onder andere het aanleggen van wegen. Dinsdag 3 januari keert Henry terug naar huis. Alex blijft nog wat langer en keert op 25 januari 1944 terug naar huis. Beide mannen krijgen hierna dertig dagen betaald verlof.


Inschepen voor Kiska

In actieve dienst

Op dinsdag 21 maart 1944, op 19-jarige leeftijd, meldt Walter Edward Brown zich aan bij het Canadese leger. Hij is dan woonachtig in Edmonton en alleenstaand. Zijn aanmelding vindt plaats in Calgary, Alberta. Zijn werkgever, C.N.R., heeft aangegeven dat hij na de oorlog mag terugkeren op zijn werkplek.
Walter Edward is tijdens zijn keuring een gezonde, blonde man met blauwe ogen, hij is 1,95 meter lang en weegt ruim 90 kilo. Hij moet een imposante verschijning geweest zijn. Hij heeft drie keer in zijn leven zijn sleutelbeen gebroken. In 1941 heeft een arts hem verteld dat hij een zwak hart heeft, tijdens de keuring vinden ze hier geen bewijs voor. Hij krijgt de benodigde inentingen en wordt als private ingedeeld bij de algemene versterkingseenheid in Calgary.
Tot zijn oversteek naar Europa volgt hij verschillende trainingen in Camrose en Calgary. In Camrose wordt hij door zijn luitenant omschreven als een grote sterke man met goede zin en potentie in leiderschap, zelfverzekerd, leergierig en goed in het opvolgen van instructies.
Echter op 14 april 1944, twee dagen na zijn eerste examen, wordt Walter Edward opgenomen in Belcher Hospital, een militair ziekenhuis in Calgary. Wat er aan de hand is is niet duidelijk, maar op 9 mei wordt hij overgeplaatst naar Harrison Hot Spring, een sanatorium. Op 7 juli hervat hij zijn militaire training in de Prince of Wales Armoury in Edmonton. Daar verblijft hij één maand. Op 12 augustus wordt hij overgeplaatst naar een trainingscentrum in Calgary. Op 21 september krijgt hij opslag op zijn dagelijkse loon, 10 cent. Hij verdient dan $1,50 per dag. Op 10 oktober mag Walter Edward met verlof. Zoals alle jongens die op het punt staan naar Europa te worden verscheept, is dat een tijd voor bezoek aan familie en vrienden. Na nog twee maanden training in Debert, Nova Scotia, is het zover. De kerstdagen van 1944 brengt hij door aan boord van een schip dat hem naar Engeland zal brengen.

Archie Code schrijft in een brief aan zijn zus Irene dat hij zich heeft aangemeld in het leger. Het is dan 10 juni 1943, Archie is 26 jaar oud, woonachtig in Cobden, Ontario aan R.R. #6 en alleenstaand. Zijn aanmelding vindt plaats in Toronto, Ontario.
Op zijn aanmeldingsformulier wordt hij omschreven als een gezonde, alerte jongeman. Hij geeft wel aan dat hij sinds tweeëneenhalf jaar last heeft van hartkloppingen. In de palm van zijn linkerhand heeft hij een litteken. Hij is 1,75 meter lang en weegt 66 kilo, heeft blauwe ogen en bruin haar. Zijn thuissituatie lijkt stabiel, hoewel hij al sinds zijn 16e veel van huis is geweest. Hij zou graag, net als zijn broer John Ross, worden ingedeeld bij de R.C.O.C. Hij zou graag iets technisch willen doen, hoewel hij veel verschillende baantjes heeft gehad en zijn intelligentie bovengemiddeld is, heeft hij weinig ervaring in technische beroepen. De aanbeveling van de dienstdoende kapitein die hem interviewt is om hem in te delen bij de C.A.C.
De eerste twintig dagen van zijn diensttijd verblijft Archie in Toronto. Op 30 juni 1943 wordt hij overgeplaatst naar het trainingscentrum in Orillia, Ontario. Zijn lichamelijke, geestelijke en militaire training verloopt goed. Ook is hij goed in kaartlezen en het organiseren van sportevenementen. Hij is excellent op de schietbaan.
Hij wordt op 2 september 1943 overgeplaatst naar Camp Borden, één van de grootste trainingscentra tijdens de Tweede Wereldoorlog in Canada. Hij verblijft hier ruim zeven maanden.


Camp Borden


Bij aankomst wordt hij omschreven als een plezierig, betrouwbaar en stabiel persoon. In januari 1944 wordt in zijn persoonlijk rapport geschreven dat hij een sterke persoonlijkheid heeft en in aanmerking komt voor dienst overzee. Archie heeft overplaatsing naar de luchtmacht aangevraagd, maar dat is afgewezen. Er wordt aangeraden hem bij de landmacht te houden als tankmonteur. In Borden haalt hij zijn vrachtwagenrijbewijs en volgt hij een opleiding tot tankmonteur.
Ook wordt hij getraind hoe om te gaan met een aanval van mosterdgas.
Twee maal mag Archie met verlof. Tijdens de kerstdagen van 1943 mag hij vijf dagen het kamp verlaten en de familie herinnert zich dat hij thuis kwam in zijn uniform. Eind januari 1944 heeft hij speciaal verlof van achttien dagen en samen met nog 6 of 8 andere mannen uit de regio wordt hij na dit verlof door de hele familie uitgezwaaid op het treinstation. En dan is hij klaar om naar Engeland verscheept te worden.


Irene, Archie en Christina


Alex Elchuk gaat na zijn vrijwillige diensttijd op 19 juli in actieve dienst. Hij moet opnieuw een aanmeldingsformulier invullen, ditmaal in Tofino, wordt medisch getest, en krijgt een nieuw legernummer: M-39751.
Als Rifleman bij het regiment Kings Own Rifles stapt hij op 23 december 1944 aan boord van een schip dat hem naar het Verenigd Koninkrijk brengt.

Henry Carl Johnson sluit na twee jaar zijn vrijwillige dienstplicht af en gaat op 12 april 1944 in actieve. Hij moet opnieuw een aanmeldingsformulier invullen, ditmaal in Gordon Head, B.C., wordt medisch getest en krijgt een nieuw legernummer: K-4072 .
Waar in een eerdere medische test geen sprake van was is een litteken op zijn rechterbil en een scheur in zijn linkerbil, waarschijnlijk opgelopen tijdens zijn diensttijd. Dat neemt niet weg dat hij fit wordt verklaard voor dienst overzee. Hij is alert en fit, de dienst is iets waar hij naar uitkijkt. Eén maand na zijn aanmelding gaat hij aan boord, als Corporal bij de Winnipeg Grenadiers, om naar Engeland verscheept te worden.

Freddie Ogg meldt zich op 29 april 1943 aan voor actieve dienst; hij is dan 19 jaar. Zijn rekrutering vindt plaats in Vancouver, Canada.
Hij woont op dat moment bij zijn moeder en is vrijgezel.
Bij indiensttreding wordt hij medisch gekeurd. Hieruit blijkt dat hij een goed ontwikkelde man is van 1.78 meter lang en 65 kg weegt. Hij heeft bruine ogen en bruin haar, draagt een bril en heeft een goed onderhouden gebit. Hij heeft nooit een ernstige ziekte gehad. Het enige waar de keuringsarts zich zorgen om lijkt te maken is zijn kleurenblindheid.
In zijn persoonlijk dossier wordt Freddie omschreven als een, voor zijn leeftijd, volwassen man. Rustig, stabiel en ambitieus. Hij is vrolijk en wil zijn best gaan doen in het leger. Een betrouwbare, inventieve, en plichtsgetrouwe jongeman. Verder geeft hij aan graag een training te willen volgen als monteur. Na de oorlog wil hij elektricien worden.
Na zijn aanmelding volgt Freddie een basistraining in Vancouver. Op 14 mei 1943 vervolgt hij zijn training in Wetaskiwin. En op 10 juli van hetzelfde jaar wordt hij nogmaals overgeplaatst, naar Halifax. Daar volgt hij een opleiding tot automonteur. Na twee maanden ontvangt hij zijn diploma. Het is dan 4 december 1943. Dezelfde dag nog mag hij op verlof naar Rossland, waar hij de kerstdagen doorbrengt.
Na nog twee maanden in Halifax wordt Freddie overgeplaatst naar Windsor (Nova Scotia), Petawawa (Ontario) en Debert (Nova Scotia). In mei en augustus heeft hij nog een aantal dagen verlof voor zijn vertrek naar Engeland.

Prentiss Sands meldt zich op 24 oktober 1941 aan voor actieve dienst.
De volgende gegevens worden opgeschreven bij zijn aanmelding. Hij is vrijgezel, heeft geen kinderen en woont bij zijn moeder in Horburgh, Alberta. Hij werkt op de familieboerderij en op de boerderij van JP Fisher, soms verdient hij wat extra als houthakker. Hij is een gezonde jongeman van 1,67 meter en weegt 69 kilo. Hij heeft bruine ogen en bruin haar. Aan de linkerkant van zijn borstkast heeft hij twee ronde littekens. Hij vertelt dat hij zich na de oorlog wil vestigen in Alberta, Canada.
Na zijn aanmelding wordt hij ingedeeld bij de algemene versterkingseenheid in Calgary en wordt in een trainingskamp geplaatst. In de maand december wordt hij ziek, hij heeft de bof. Hij wordt verpleegd in het Camrose Mill ziekenhuis in Alberta. Na twee maanden trainingskamp wordt hij opnieuw ziek en opgenomen in het Belcher ziekenhuis in Calgary met een chronische keelontsteking en waarschijnlijk mazelen. Als hij in maart 1942 zonder toestemming vijf uur lang afwezig is, moet hij drie dagen binnen blijven in de barakken.


Na zijn indiensttreding bezoekt Prentiss nog één keer zijn ouderlijk huis, op de foto rechts samen met Nelson en Johnny.


Clyde Alexander Spencer meldt zich op 23 augustus 1943 in Fredericton, N.B. aan voor actieve dienst in het Canadese leger, hij is dan negentien jaar oud en vrijgezel.
Hij wordt omschreven als een gezonde jongeman, betrouwbaar, vriendelijk, goed gehumeurd, coöperatief en strijdlustig. Hij is nooit serieus ziek geweest en heeft nooit in het ziekenhuis gelegen. Hij is 1,72 meter lang, weegt 62 kilogram. Hij heeft grijze ogen en lichtbruin haar. Hij geeft aan een opleiding tot motorrijder en monteur te willen volgen, dit krijgt hij ook mee als aanbeveling van de dienstdoende kapitein tijdens zijn aanmeldingsinterview.
Clyde Alexander begint zijn diensttijd in het trainingscentrum A13 in Listowel, Ontario. Hier verblijft hij twee maanden. Hij wordt in Listowel geschikt verklaard voor een opleiding tot monteur.
In november 1943 wordt hij overgeplaatst naar Camp Borden, Ontario om zijn training te vervolgen. In de bijna vijf maanden die hij hier doorbrengt, met een kort verlof met Kerstmis, haalt hij zijn kwalificatie als Class 3 Driver en rond hij zijn monteursopleiding af en is hij klaar voor dienst overzee.
Vanuit Transit Camp Windsor gaat Clyde Alexander op 30 maart 1944 aan boord om verscheept te worden naar Engeland.

Archibald William Thompson meldt zich na zijn vrijwillige diensttijd aan voor actieve dienst. Dat doet hij in Regina, Sask, op 1 oktober 1943. Hij is dan negentien jaar oud en vrijgezel.
Hij wordt omschreven als een grote kerel met een uitstekende fysieke conditie. In 1943 zijn zijn amandelen verwijderd, hij heeft een klein litteken op zijn rechterheup en slist een beetje. Hij heeft blauwe ogen, bruin haar, is 1.80 meter lang en weegt 71 kilo. Hij gaat wat nonchalant om met zijn uiterlijk, gedraagt zich een beetje arrogant, heeft al wat training gehad en is bereid om waar dan ook te worden ingezet. Zijn intelligentie is iets onder het gemiddelde, maar hij is erg goed in wiskunde. In zijn tijd bij de kadetten heeft hij een korte training gehad als seiner. Hij wordt ingeschat als een goede soldaat.
Na een maand in een trainingscentrum in Regina wordt Archibald overgeplaatst naar een trainingscentrum in Yarmouth, Nova Scotia.


Camp yarmouth


Daar belandt Archibald zes dagen in het Yarmouth Military Hospital. Ook is hij één keer, één dag, negentien uur en dertig minuten, afwezig zonder toestemming. Daarvoor krijgt hij een vermaning en moet hij twee dagen soldij inleveren.
Op 9 januari 1944 wordt hij nogmaals overgeplaatst, nu naar trainingscentrum Aldershot, Nova Scotia. Daar wordt hij opnieuw geïnterviewd. Hij heeft tot nu toe geen fysieke klachten en de aanbeveling van de dienstdoende leger examinator is dat Archibald het beste tot zijn recht zou komen bij de infanterie bij een algemene versterkingseenheid en een opleiding zou kunnen volgen tot chauffeur.
Vanaf 1 maart 1944 rond hij zijn basistraining af in Camp Borden, Ontario. Hier ligt hij in maart achttien dagen in het militaire hospitaal. Wat er aan de hand is is niet duidelijk.
In de avond van 31 mei 1944 vindt er voor Archibald een vervelend incident plaats. Na schietoefeningen die plaats vonden in de avond gaat zijn sectie om 22.15 naar de mess. Het regent hevig en het onweert. Archibald staat vlak naast de lichtschakelaar in de mess wanneer de bliksem inslaat. Hij valt neer op de grond en is enige tijd bewusteloos. Hij wordt op een stretcher gelegd en naar een hulppost gebracht. Hij wordt onderzocht en lijkt ongedeerd, mag opstaan, maar lijkt last te hebben van een lichte shock. Na een nacht rust, vervolgt hij de volgende ochtend zijn training.
1 juli 1944 wordt Archibald goed genoeg getraind bevonden voor dienst overzee bij de infanterie. Op 12 juli stapt hij aan boord van een schip dat hem naar Engeland brengt.

Stanley Edward Turner meldt zich na zijn vrijwillige dienstplicht op 5 juni 1944 aan voor actieve dienst in het Canadese leger. Hij is dan 24 jaar oud en geeft zijn stiefmoeder, Maggie Turner, op als contactpersoon.
Na zijn aanmelding krijgt hij een nieuw legernummer: M – 39575 en wordt hij medisch getest. Op wat spataderen in zijn linkerbeen na, waar hij last van heeft als hij een korte broek met kousen draagt, word hij gezond verklaard. Op zijn lijst met persoonlijke gegevens wordt vermeld dat hij in zijn vrije tijd aan verschillende sporten doet; softbal, basketbal, ijshockey en schaatsen. Hij gaat ook graag jagen en vissen en leest regelmatig een boek. Tijdens zijn diensttijd heeft hij zijn vrachtwagenrijbewijs gehaald. De dienstdoende officier die hem interviewt ziet een serieuze, gemotiveerde, rustige man die graag overzees ingezet wil worden.
De eerste twee maanden na zijn aanmelding verblijft Stanley Edward nog in Duncan, B.C. Van 27 juni tot 15 juli wordt hij opgenomen in het Victoria Military Hospital en op 8 augustus wordt hij opnieuw in Red Deer, Alberta ingedeeld in het trainingscentrum aldaar. Ruim een week later is hij bijna twee dagen afwezig zonder toestemming en moet hij voor straf zeven dagen binnen blijven in de barakken en twee dagen loon inleveren. Begin oktober 1944 wordt Stanley Edward opnieuw overgeplaatst naar trainingscentrum A-16 in Calgary, Alberta. Hij heeft vanaf nu genoeg militaire training gehad en is klaar om overzees te gaan. Maar eerst krijgt hij nog een privéverlof van zeventien dagen en twee dagen vertrekverlof. De zeventien dagen privéverlof zijn voor zijn huwelijk. Hij heeft toestemming gekregen om te trouwen met Viola May Beanblossom. Zaterdag 25 november trouwen ze in Rocky Mountain House, Alberta. Ruim twee weken later is Stanley Edward terug in Calgary en stapt op 1 januari 1945 in Debert, Nova Scotia op een schip dat hem naar Engeland brengt.


In Engeland

Alle negen mannen uit dit verhaal verblijven voor kortere of langere tijd in Engeland in trainingskampen. In eerste instantie maken de Canadezen gebruik van de Britse trainingskampen, maar omdat de Canadese soldaten wat tekenen van verveling beginnen te vertonen wordt er onder andere door Major John Campbell van de Calgary Highlanders een Canadese Battle Drill School opgericht in Stansted Park, ten noorden van Portsmouth aan de Engelse zuidkust, bij het plaatsje Rowlands Castle.

Prentiss Sands is de eerste die in Engeland arriveert. Op donderdag 9 april 1942 gaat Prentiss aan boord om verscheept te worden naar Engeland. Tien dagen later stapt hij van boord en wordt ingedeeld bij de infanterie. Op 2 juli 1942 schrijft hij een brief naar zijn familie.


“Hoe gaat het bij jullie? Alles goed? Ik heb van jullie nog geen brief gehad, dus ik dacht ik schrijf maar naar jullie om te horen of jullie nog leven of dood zijn. (…) Was er een rodeo in Rocky dit jaar? Ik heb een brief geschreven naar een meisje in Rocky en ik kreeg vandaag een brief terug van haar. Ik hoop dat ik ook snel een brief van jullie krijg. (…) Ik begin deze plek steeds meer te haten. Je kan hier geen tabak kopen en sigaretten zijn 50 cent als ze al verkrijgbaar zijn, wat niet zo vaak voorkomt. Dus stuur ze alsjeblieft. Ik hoop dat het met jullie beter gaat dan dat het hier is. Hoe gaat het met de gewassen dit jaar? Regent het veel? (…) Hoe gaat het met de paarden en de koe? (…) Er is verder niet veel te vertellen. (..) Tijdens mijn verlof ga ik naar Schotland. (…) Ik kijk er naar uit om weer thuis te komen en hoop er het beste van. (…) Liefs voor iedereen en heel veel geluk, Prentiss Sands”

Na een week verlof in de zomer, in Schotland, in juli 1942, wordt hij ingedeeld bij de Calgary Highlanders.
Op 6 april 1944 begint hij aan zijn laatste verlofdagen in Engeland. En na alle trainingen en voorbereidingen stapt hij op woensdag 5 juli 1944 op een schip dat hem naar Frankrijk brengt.

Archie Code is de tweede die in Engeland aankomt. Op zaterdag 25 maart 1944 stapt Archie aan boord van een schip om op 1 april 1944 aan te komen in Europa. In Engeland wordt hij in eerste instantie toegevoegd aan de algemene versterkingstroepen. Later tijdens zijn verblijf in Engeland wordt hij op 29 september 1944 als soldaat ingedeeld bij het regiment van de Winnipeg Grenadiers. Vrijdag 3 november 1944 wordt Archie verscheept naar het vasteland van Europa.

Clyde Alexander Spencer volgt als derde. Zaterdag 8 april 1944 gaat hij van boord in Engeland en verandert zijn rang van Trooper naar Private en wordt hij ingedeeld bij de Canadian Base Reinforcement Group. Drie maanden training in Engeland maakt hem klaar om verscheept te worden naar Frankrijk.

De vierde die arriveert is Henry Carl Johnson. Op 17 juni 1944 arriveert Henry Carl in Engeland. Op zijn eigen verzoek wordt hij een dag voor zijn verscheping naar West-Europa gedegradeerd tot Private.

Een maand later volgt Archibald William Thompson. Woensdag 19 juli komt Archibald aan in Engeland, hij verblijft hier drie maanden in een trainingskamp.

Freddie Ogg is de zesde die in Engeland arriveert. Op 14 oktober 1944 stapt Freddie aan boord van een schip dat hem naar Engeland zal brengen. Na zes dagen komt hij aan in Engeland. Ruim twee maanden later gaat hij opnieuw aan boord, ditmaal naar Noordwest Europa.

Alex Elchuk arriveert op oudejaarsdag 1944. Hij verblijft, met als rang Private, een kleine twee maanden in een trainingskamp om vervolgens opnieuw ingescheept te worden naar het vasteland van Europa.

Walter Edward Brown arriveert de volgende dag. Maandag 1 januari 1945 stapt Walter Edward van boord in Engeland alwaar hij nog een korte training volgt en zijn twintigste verjaardag viert.

De laatste die voet aan wal zet in Engeland is Stanley Edward Turner. Zijn trainingstijd aldaar is zeer kort. Donderdag 11 januari stapt hij van boord om 15 dagen in Engeland te verblijven.


Van Normandië naar Doetinchem

Het regiment Calgary Highlanders wordt niet ingezet tijdens D-Day. Geen van de negen mannen uit dit verhaal is daarbij. Wel landen een aantal van hen later op Juno Beach. De eerste die aankomt is Prentiss Sands.

Exact een maand na D-Day stapt Prentiss aan boord van een schip, de Isle of Guernsey. Ook Major John Campbell van de Battle Drill School is aan boord. In de schemering verlaat het schip de haven van Folkstone, terwijl de doedelzakken spelen. Aan boord is de 2e Canadian Infantry Division waar de Calgary Highlanders onderdeel van zijn en een gedeelte van de 5th Division. De Calgary Highlanders maken voor het eerst de oversteek naar het Europese vasteland. De nacht van de oversteek is helder en kalm. Bij het naderen van de kust van Frankrijk verzamelen de mannen zich langs de reling om de indrukwekkende hoeveelheid schepen te bekijken die aan de kade liggen. Vroeg in de middag, op 6 juli 1944, zet Prentiss voet aan wal in Normandië, Frankrijk.

De Calgary Highlanders brengen hun eerste nacht door in de velden rond Banville, drie kilometer ten westen van Juno-beach. Het is er relatief rustig, ver genoeg van het front. Maar dat verandert een paar dagen later als ze in de nacht van 10 juli vertrekken naar Abbaye d’Ardenne, aan de noordwest kant van Caen.


Abbaye d'Ardenne 1944


Hier maakt Prentiss voor het eerst van zijn leven mee wat het is om te vechten aan het front. Vierentwintig uur per dag wordt zijn regiment onder vuur genomen door de Duitsers. Dan wordt er van hogerhand besloten dat de 2nd Canadian Division deel zal uitmaken van Operatie Atlantic en vertrekken de Calgary Highlanders richting Vaucelles en wordt de rivier de Orne overgestoken. Dat gaat niet zonder slag of stoot, maar op 19 juli kunnen de Calgary Highlanders verder trekken richting La Haute en Fleury-sur-Orne.
Na de val van Caen hebben de Duitsers zich onder andere teruggetrokken op de heuvelrug van Verrières ten zuiden van Caen en kunnen op die manier alle troepenbewegingen van de geallieerden in de gaten houden. Zo ook op Hill 67. De Calgary Highlanders krijgen vanuit het hoofdkwartier het bevel over de rechterflank te trekken en Fleury-sur-Orne veilig te stellen voor de doorgang van de overige troepen. De volgende dag om 18.00 vertrekken ze richting Estevaux. Op hun hoede sluipen ze door het hoge gras door de Orne vallei. Wanneer het donker wordt stuiten ze op een grote groep Duitse soldaten die zich hebben verschanst in een boomgaard. De hele nacht wordt er gevochten op een afstand van 400 meter. Ook de hele volgende dag is er geen rust, zelfs de radioverbinding met het hoofdkwartier valt uit. Het zijn angstige uren. De volgende ochtend komen er versterkingen en mogen ze zich terugtrekken. Eénendertig Canadese soldaten sneuvelen op Hill 67. De Calgary Highlanders trekken verder naar het zuiden.

Na deze slag krijgen de Calgary Highlanders versterking. Eén van hen in Clyde Alexander Spencer.
Na de nodige dagen rust na de slag om Hill 67 worden er plannen gemaakt voor Operatie Spring, het innemen van de gehele heuvelrug van Verrières. De heuvelrug wordt onder andere verdedigd door de Duitse 1e SS-Panzer-Division Leibstandarte SS Adolf Hitler. De elitetroepen van de Waffen-SS. De Highlanders zullen vanaf daar doortrekken naar May-sur-Orne. In de nacht van 24 juli wordt de aanval ingezet, maar Operatie Spring loopt uit op een ramp. De Calgary Highlanders zijn te onervaren tegenover de Duitse legermacht en er gaat veel mis in de communicatie tussen de verschillende legereenheden. Er sneuvelen 37 Calgary Highlanders. De manschappen die het hebben overleefd krijgen een aantal dagen rust in Fleury-sur-Orne.

Na de rustdagen in Fleury-sur-Orne is het volgende doel Tilly-la-Campagne. Al twee keer eerder hebben Britse en Canadese troepen geprobeerd het te veroveren, maar tevergeefs. Nu is het de beurt aan de Calgary Highlanders. In dikke mist wordt er twaalf uur lang gevochten. Maar ook de Highlanders stuiten op groot verzet. En hoewel er een aantal manschappen weet door te dringen in het dorp, lukt het ook de Highlanders niet om Tilly in te nemen. In nog geen dag sneuvelen 36 mannen.
De Calgary Highlanders krijgen opnieuw een aantal dagen rust in Fleury-sur-Orne. Ook worden er opnieuw versterkingseenheden gestuurd.

Op zondag 5 augustus wordt Henry Carl Johnson ingedeeld bij het regiment.
Tijdens de rustdagen, op 6 augustus 1944, schrijft Prentiss Sands een brief aan zijn moeder:

“Lieve mam,
Ik heb je brief ontvangen en was blij om iets van je te horen en te horen dat jullie allemaal oké zijn. (…) Hoe is het met Carlyle (…) zeg tegen hem dat ik hem hopelijk snel ga zien. (…) en Myrtle heeft geen verkering meer met Nick, dat doet me niks, ik snapte meteen al niet wat ze in hem zag. (…) In oktober kan je de 50 dollar opnemen die ik je heb gestuurd uit het Victory Fonds. (…) Ik ga jou niet in de steek laten, sorry dat ik niet zo vaak schrijf. Vergeef me daarvoor. Zeg hallo tegen alle kinderen en zeg ze dat ik te druk ben om ze te schrijven. (…) Ik hoop dat ik daar later meer tijd voor zal hebben. (…) Doe de groeten aan pap en de rest van de familie. Ik ga nu afronden, heel veel liefs en ik hoop dat ik jullie allemaal snel ga zien. Liefs en kusjes van je liefhebbende zoon Prentiss.”


Op 8 augustus zijn Prentiss Sands en Henry Carl Johnson met hun regiment onderdeel van Operatie Totalize, hun opdracht is het innemen van de brug over de Laize bij Bretteville. Vlak na middennacht vertrekt het regiment van Ifs naar Verrières waar ze om 01.30 aankomen. De hele nacht luisteren ze naar overkomende vliegtuigen en het geluid van hevige bombardementen. Na een uur of vier verlaten ze hun loopgraven en marcheren door naar Rocqancourt, in het ochtendlicht zien ze de silhouetten van honderden vrachtwagens, tanks en andere legervoertuigen. En heel veel manschappen. Om 11.00 gaat het regiment verder richting Caillouet, drie kilometer verwijdert van hun doel, Bretteville. Op de route zien ze gestrande legervoertuigen, wrakstukken van geweren en heel veel dode Duitse en Canadese soldaten. De weg naar Bretteville is zwaar gebombardeerd en nauwelijks begaanbaar, maar de opmars gaat voorspoedig. Er is vrijwel geen sprake van Duits verzet. Om 17.00 hebben de Calgary Highlanders, samen met het regiment de Maisonneuve, de brug over de Laize veilig gesteld. Maar op de heuvels rond het dorp wemelt het echter nog van de Duitse troepen en het duurt tot de volgende ochtend voordat zij zich hebben overgegeven. Na vierentwintig uur marcheren, aanvallen en wachten op tegenaanvallen is iedereen moe, hongerig en vies en is er tijd voor een paar dagen rust. Elf Calgary Highlanders sneuvelen tijdens Operatie Totalize. Maar de rust is van korte duur. Op 12 augustus wordt het regiment ingezet bij de slag om Clair-Tison.

Clair-Tison is een dorp met wat stenen boerderijen, gelegen in een vallei. Na een dag lopen, het is zeer warm, gaan de Highlanders de nacht in zonder slaap. Om 01:45, het is een donkere, mistige nacht, wordt de aanval ingezet. Allereerst wordt Le Mesnil ingenomen, een dorp ten noorden van Clair-Tison. Op 13 augustus, om 14.00, wordt de aanval op Clair-Tison ingezet. De Canadezen worden hevig onder vuur genomen door Duitse legereenheden, maar in de avond wordt ook hier een brug over de Laize ingenomen.


Wat volgt in augustus is een lange route door velden, bossen en dorpen met grote en kleine veldslagen en met weinig tijd voor rust en eten, dwars door Normandië, op weg naar de rivier de Seine.
Na hevige gevechten in het Forêt de la Londe, waar de Canadezen voor het eerst kennis maken met de tactiek van de Duitse troepen om mortiergranaten af te schieten in boomtoppen, waardoor er niet alleen granaatscherven in het rond vliegen, maar ook brandende boomtoppen, steken de Calgary Highlanders op 28 augustus bij Elbeuf de Seine over.
Een dag later raakt Prentiss Sands in Noord Frankrijk, waarschijnlijk in de bossen rond La Londe aan de oever van de Seine, zwaar gewond en wordt hij gerepatrieerd naar Engeland en behandelt in het Park Prewett Hospital in Basingstoke. Daar verblijft hij van 2 tot 22 september.

Na de oversteek van de Seine gaan Carl Henry Johnson en zijn regiment op weg, via Rouen, naar Dieppe waar ze op 3 september aankomen. Dieppe is voor veel Canadese strijders een zwarte bladzijde in de geschiedenis. In augustus 1942 zijn hier meer dan 900 Canadese soldaten om het leven gekomen. De landing op het strand bij Dieppe was een ramp. Slecht voorbereid en weinig ondersteuning vanuit de lucht. De Calgary Highlanders die wel waren ingescheept, maar het strand nooit hebben bereikt omdat ze als reservetroepen werden achter gehouden, op volle zee met Dieppe in zicht, werden nog jaren achtervolgd door de vreselijke herinneringen aan die dag. Voor sommigen van hen is 3 september 1944 een terugkeer naar Dieppe. Ze waren erbij geweest op zee in 1942. Op de Canadese begraafplaats, die tijdens de bezetting al die jaren is bijgehouden door de inwoners van Dieppe, houden ze een herdenkingsdienst.
De rust in Dieppe is van korte duur. In de vroege ochtend van 5 september, het regent pijpenstelen en het is koud, worden ze per truck vervoerd naar Montreuil, zeventig kilometer ten zuiden van Duinkerke. Duinkerke en omgeving worden door de Duitsers zwaar verdedigd. En de Calgary Highlanders, met Duinkerke in zicht, vechten van boerderij naar boerderij onder constant artillerievuur. Het is gevaarlijk en deprimerend. Het lukt uiteindelijk niet om Duinkerke in te nemen. Op 18 september vertrekken de troepen per truck vanuit Loon Plage naar Antwerpen, op 4 september ingenomen door de Britten, door de velden van Ieper die nog duidelijk de sporen dragen van de Eerste Wereldoorlog. Duinkerke zal tot het einde van de oorlog in handen blijven van de Duitsers. Henry Carl Johnson is met zijn regiment op weg naar de Slag om de Schelde.
Drie dagen krijgen de Calgary Highlanders wat rust. Vanuit Antwerpen vechten ze zich over het Albert Kanaal, de start van de Slag om de Schelde, naar het Turnhout Kanaal richting Eindhoven waar ze verblijven tot 3 oktober 1944.

Prentiss Sands heeft inmiddels het ziekenhuis in Engeland verlaten en bevindt zich in een trainingskamp. Op 5 oktober stuurt hij een brief naar zijn broertje Chester:

“Beste Chester,
Een kort briefje om je te laten weten dat ik nog weet wie je bent en dat ik je eerder had willen schrijven maar ik ben niet zo’n schrijver en ik had er ook geen tijd voor. Maar ik dacht ik kan je maar beter wat schrijven voordat je me neerschiet als ik thuis kom. (…) Hoe is het met Marion, ze zal wel een grote meid zijn geworden. En Billy en Larry? Ik hoop dat iedereen oké is. En wat doet Sammy nu? Ik neem aan dat hij nu de baas is of ben jij dat? Wat doet pappa nu en Johnny? Is Nelson vaker thuis? Verder weet ik niets meer te schrijven. Liefs Prentiss xxxx”

Na de rustdagen in Eindhoven vervolgen de Calgary Highlanders via Lochtenberg en Brasschaat hun weg en wordt het regiment ingezet in Hoogerheide bij de Slag om Woensdrecht. Tweeënzeventig uur wordt hier hevig gevochten. De Calgary Highlanders verliezen dertig manschappen. En dat is nog maar het begin. De Slag om de Schelde woedt verder via Ossendrecht, Kruiningen en Schore naar de Slag om de Sloedam. In Ossendrecht zijn er opnieuw versterkingseenheden aangekomen.



Archibald William Thompson is op 16 oktober 1944 aan land gekomen in België en wordt toegevoegd aan het regiment van de Calgary Highlanders.Op 31 oktober start de Slag om de Sloedam. Het regiment van The Black Watch doet als eerste een aanval op de dam. Zij lijden zulke zware verliezen dat de volgende dag de Calgary Highlanders worden ingezet. Ook zij komen niet verder dan halverwege de dam. Er wordt op zulke korte afstand gevochten dat handgranaten kunnen worden teruggegooid nog voordat ze ontploft zijn. In de morgen van 1 november lukt het de Highlanders de westkant van de dam veilig te stellen, maar het lukt ze op 2 november niet om verder te komen dan het bruggenhoofd op Walcheren.

Uiteindelijk landen er Britse commando’s op Walcheren en zij verdrijven de Duitsers. Dit maakte de Slag om de Sloedam achteraf onnodig. Het kostte 107 Calgary Highlanders het leven.



En dan is er eindelijk weer tijd voor rust, een goede maaltijd en een warm bad. Clyde Alexander Spencer, Henry Carl Johnson en Archibald William Thompson hebben zich met hun regiment teruggetrokken naar Lierre, dertien kilometer te zuidoosten van Antwerpen.
Een oude bekende wordt opnieuw toegevoegd aan het regiment. Prentiss Sands is voldoende opgeknapt en keert terug bij zijn eenheid.

Na Lierre gaan de Calgary Highlanders op weg naar Nijmegen. In eerste instantie worden de manschappen vanaf 10 november gestationeerd in huizen langs de weg tussen Nijmegen en Malden. Ze worden ingezet bij het bewaken van bruggen bij Malden en Grave. Er zijn rustdagen en er wordt getraind met een nieuw wapen, de WASP vlammenwerper. Gedurende de hele winter wordt het regiment ook ingezet bij de bewaking van de grens bij Groesbeek. Twee weken op, één week af.

Op 3 november 1944 komt Archie Code aan op het vasteland van Europa en wordt op 10 november toegevoegd aan de Calgary Highlanders.
Op 30 december 1944 voegt Freddie Ogg zich bij het regiment.
Prentiss Sands, Clyde Alexander Spencer, Henry Carl Johnson, Archibald William Thompson, Archie Code en Freddie Ogg brengen de laatste dagen van 1944 door in en rond Nijmegen.

Als de kerstdagen naderen begint het te sneeuwen. De manschappen hebben geen winteruniform en omdat hun donkere uniformen afsteken tegen het witte landschap dragen ze tijdens patrouilles hun ondergoed over hun uniform en witte handdoeken over hun helm. Op kerstavond, wanneer de Calgary Highlanders op patrouille zijn langs het front bij Groesbeek brengen de Duitse soldaten aan de overkant een serenade. De Canadezen beantwoorden deze door terug te schieten met geweren, granaten en mortieren. De volgende dag brengen de Canadezen twee doedelzakspelers mee om te spelen voor de Duitsers. Oudejaarsnacht beginnen de Duitsers, precies om twaalf uur te schieten. Volgens ooggetuigen kon je bij het licht van al dat geschut een krant lezen. Na 5 minuten riepen de Duitsers: “Gelukkig Nieuwjaar, Canada”. Op 10 januari verlaten de Calgary Highlanders de frontlinie voor een week rust in Nijmegen.

Vanaf 1 februari begint de voorbereiding op Operatie Veritable. Vanaf Berg en Dal vertrekken de Calgary Highlanders richting de grens en verblijven ongeveer vijf kilometer van Wyler, Duitsland, in de bossen, wachtend op wat komen gaat. Op 8 februari, om 5 uur in de ochtend wordt de aanval op Wyler ingezet. De slag om Wyler blijkt lastiger dan gedacht en zal acht uur duren, dertien Calgary Highlanders sneuvelen.



Ze verblijven nog twee dagen in de ruïnes van Wyler en gaan daarna terug naar Berg en Dal en Nijmegen.


Wyler


Na de Slag om Wyler worden Walter Edward Brown en Stanley Edward Turner toegvoegd aan het regiment.
Ze hebben beide nauwelijks nog extra training gehad in Engeland. Ruim 6 weken na aankomst in Engeland komen Walter Edward Brown per vliegtuig en Stanley Edward Turner per schip aan op het vasteland en worden toegevoegd aan een regiment dat al een lange weg door Noord-West Europa heeft afgelegd.

Op 18 februari vertrekt het regiment richting het Moyland bos, Duitsland. Midden in de nacht nemen ze hun posities in en voor de komende 48 uur patrouilleren ze, vinden er wat schermutselingen plaats met Duitse soldaten en beschieten ze Slot Moyland.
Na Moyland volgt het Hochwald. Een dichtbegroeid bos, met soms maar een paar meter zicht waardoor de kans groot is in een hinderlaag te lopen. Hier start Operatie Blockbuster. Het doel van de Calgary Highlanders is het innemen van de westkant van de noordelijke rand van het bos. Net na middernacht, op 27 februari, vertrekt het regiment, het is bewolkt en er is geen maanlicht om de mannen bij te schijnen, de boerderijen die ze in het open landschap passeren lijken verlaten. Pas bij het ochtendlicht ondervinden ze weerstand van Duitse soldaten, maar het lukt ze hun doel te bereiken, worstelend door modder en sneeuw, en om half elf in de avond kan er eindelijk, na vierentwintig uur, een warme maaltijd gegeten worden. Er zijn 200 Duitse soldaten gevangen genomen, twaalf Calgary Highlanders sneuvelen deze dag in het Hochwald.

Prentiss Sands vecht in de koude, modderige en ondergelopen loopgraven in het Reichswald, zij aan zij met Stan MacDougall. Stan vertelt:

“Ik zeg tegen korporaal Sands, hij zat rechts van mij, hij was groot, een lange boer, een aardige man, ik denk dat hij 24 jaar was. Ik zei: geef je me dekking? Ik ga proberen om het machinegeweer aan mijn linkerkant uit te schakelen. Hij zei: oké. Dus ik kruip, ik weet niet meer hoe ver, er wordt veel geschoten. Ik nam niet mijn geweer mee of iets. Alleen twee granaten. Ik kwam vlak waarbij ze zaten, ik gooide er één, het was meteen raak. Ik gooide de tweede ook omdat ik bang was dat deze geraakt zou worden door een kogel en zou ontploffen terwijl het nog aan mijn riem hing. Dus ik begin terug te kruipen naar de loopgraaf, ik sta op om te gaan rennen. Maar een Duitse paratroeper ziet me en komt op me af met een “potato masher” (stielgranaat) in zijn hand. Ik had hem niet gezien. (…) Prentiss zag de Duitser wel aankomen en net voordat de paratroeper de granaat wilde gooien schoot Prentiss hem neer. De paratroeper viel vlak naast me op de grond, recht voor me, ik pak de granaat uit zijn hand, gooi hem weg, hij ontploft. Op dat moment dank ik mijn leven aan Prentiss Sands. Ik ben hem nooit vergeten (…) Hij was mijn held.”


Stan MacDougall bij het graf van Prentiss in Groesbeek (1988)


Halverwege de maand maart wordt Alex Elchuk toegevoegd aan het regiment.
Wanneer het eind maart eindelijk mogelijk is de Rijn over te steken, kan een enorme troepenmacht beginnen aan de bevrijding van Oost- en Noord-Nederland. De Canadezen trekken via Ulft, Terborg en Gaanderen op richting Doetinchem.


Canadese verkennerseenheid aan de Terborgseweg - 1
april 1945 (foto: Hans Hendriksen©)


Op zondag 1 april 1945, het is eerste paasdag, bereiken de Calgary Highlanders via de Terborgseweg Doetinchem. Ze worden aan de oostelijke stadsrand opgewacht door mensen van het verzet. Na een kort overleg rukken ze op naar het centrum, terwijl een grote troepenmacht om de stad trekt.
In en rond de binnenstad ontbrandt vervolgens een heftige strijd. De Duitsers hebben de wegen geblokkeerd met tramwagons, volgegoten met beton. De Calgary Highlanders zetten onder andere vlammenwerpers in om de Duitsers uit te schakelen. Tientallen Duitsers vinden daarbij de dood en vele panden branden af. Ook sneuvelen negen Calgary Highlanders.
Pas de volgende middag, maandag 2 april Tweede Paasdag, is Doetinchem bevrijd.

Walter Edward Brown (20), Alfred William Ogg (21), Henry Carl Johson (24), Archibald William Thompson (20) en Stanley Edward Turner (25) sneuvelen op 1 april. Alex Elchuk (26) sneuvelt op 2 april. Zij krijgen een tijdelijk graf naast de Openbare Lagere School in Oosseld aan de Dennenweg in Doetinchem.


De tijdelijke graven naast School Oosseld


Archie Code, Prentiss Sands en Clyde Alexander Spencer raken op 1 april zwaar gewond in de straten van Doetinchem. Archie Code door een schotwond in zijn rechterschouder en hals. Prentiss Sands aan een schotwond in zijn hoofd en hand. Met de veldambulance worden zij naar het veldhospitaal in Bedburg, Duitsland gebracht. Nog dezelfde dag sterven zij aan hun verwondingen. Clyde Alexander Spencer raakt ook zwaar gewond op 1 april en wordt ook naar Bedburg gebracht. Maar de artsen kunnen niets meer voor hem doen. Hij sterft op 2 april.

In het boek “Battalion of Heroes” (David J. Bercuson, 1994) wordt zeer waarschijnlijk de dood van Walter Edward Brown in Doetinchem beschreven. In de tekst wordt gesproken over Walter B. Brown, maar aangezien Walter Edward Brown zijn tijdelijk graf in Doetinchem had en er geen Walter B. Brown staat geregistreerd als gesneuveld tijdens de Tweede Wereldoorlog, is het zeer aannemelijk dat hier gesproken wordt over Walter Edward. Het verhaal wordt verteld door zijn peloton leider H.J.E. MacDonald.

H.J.E MacDonald stond voor een huis een grap te vertellen toen Duitse granaten insloegen: “We stonden nog te lachen toen de eerste inslag kwam, een paar meter verderop…. Ik stond op toen “Blackie” Rubel en nog een andere jongen en twee (Nederlandse) meisjes naar binnen kwamen rennen door de deur en hun toevlucht zochten tot de kelder. Toen ze de keldertrap afrenden sloeg er nog een granaat in bij het kelderraam, steen en beton vlogen in het rond door het raam. De meisjes raakten in paniek en probeerden weer de trap op te komen. Nog voordat we hen terug konden trekken werd het gebouw bestookt met granaten, de hele ruimte vulde zich met stof en rook. Ik voelde een branderig gevoel in mijn linker heup en bovenbeen en ik werd de trap afgesmeten…(Joe) Segal probeerde een matras voor één van de kelderramen te duwen om de ontploffingen en de brokstukken tegen te houden. Boquist kwam hem helpen en het lukte hen het kelderraam te blokkeren. Salvo na salvo raakte het huis. Maar dan, opeens, stopt het. Ik was wat verdooft, maar ik kon staan en lopen. Iedereen in de kelder leek oké. Ik kroop over de keldertrap omhoog en daar zag ik mijn vriend “Brownie” (Private Walter B. Brown), plat op zijn rug, dood.”

In het Jaarboek Achterhoek en Liemers nr. 43 (2019) wordt de situatie beschreven vanuit het oogpunt van de Nederlandse meisjes uit het verslag van H.J.E. MacDonald. De Doetinchemse Iet Gerritsen, lid van een verzetsgroep, beschrijft in haar dagboeken hoe zij, haar ouders, haar zus Janny en de familie Bon vlak na de avondmaaltijd op 1 april net met de pudding willen beginnen als er inslagen van granaten klinken. Met bordjes en lepels gaan ze gauw naar de kelder. Daar eten ze de pudding op.

“Zij zitten samen met de familie Bon nog in de kelder. Als echter om vijf minuten over vier het schieten wat afneemt, kijkt mevrouw Bon door een raampje in de gang even naar buiten. ‘Het zijn Engelsen’, roept ze opgetogen. In de kelder is er ongeloof. Toch haast iedereen zich onmiddellijk naar boven. Voorzichtig openen ze de voordeur om door een kier naar buiten te kijken. Pantservoertuigen…! Terugtrekkende Duitsers, is de eerste gedachte. Als echter een vierde voertuig passeert, zien ze dat er een afbeelding van een ster op staat. Dan klinkt er gejuich van mensen aan de overkant van de straat. Janny pakt onmiddellijk een witte zakdoek en Iet ziet zo gauw niets anders dan een roze onderbroek van Janny.

Even later staan ze ermee te zwaaien aan de kant van de weg. Dat is echter van korte duur, want plotseling wordt er weer geschoten. Snel zoeken ze de kelder weer op. Het schieten duurt evenwel niet lang. Als ze uit de kelder komen, zien ze hoe de Canadezen de huizen in de omgeving doorzoeken. Iet rent op hen af. Een van hen feliciteert haar. Als zij hem even later een paar eieren geeft, verschijnen er nog vijf Canadezen. Allemaal laten ze zich daarna bij haar thuis de overige eieren, de thee, het wittebrood met hamspek en het roggebrood met kaas goed smaken. Op hun beurt delen de militairen sigaretten uit. Ze zijn moe. ‘We hebben sinds gisteravond niet gegeten en twee nachten niet geslapen’, vertelt een van hen. Als ze het eten op hebben en Corry en Janny nog een paar foto’s hebben gemaakt, lopen ze gezamenlijk naar de Houtkamp. De meisjes willen daar naar de passerende tanks kijken en de Canadezen gaan er verder met het doorzoeken van huizen. Als pelotonscommandant MacDonald bij Villa Aurora is, slaat daar op enkele meters afstand een granaat in. Corry en Janny rennen samen met enkele andere militairen bij de villa naar binnen. Als ze op de keldertrap zijn, slaat een granaat bij het kelderraam in. Steen en beton vliegen door de kelderruimte. In paniek proberen Corry en Janny de trap weer op te rennen. Een Canadees wil de meisjes tegenhouden, maar op dat moment wordt het gebouw bestookt met nog meer granaten. De Canadees wordt geraakt in zijn been en valt van de trap. Twee anderen pakken een matras en houden die voor het kelderraam als afweer tegen de uitwerking van de explosies. De kelderruimte vult zich met stof en rook en talloze salvo’s raken de villa. Twee Canadezen pakken de meisjes vast om hen met hun lichamen te beschermen. Even onverwachts als het vuren begon, houdt het ook weer op. Als ze met zijn allen de keldertrap op lopen, zien ze hoe daar Walter Edward Brown op zijn rug ligt. Hij is dood. Corry en Janny moeten over hem heen stappen om naar buiten te kunnen komen. Ze realiseren zich hoe ze kort ervoor nog gezellig thee hadden gedronken met De Lange, zoals ze hem hadden genoemd.” (uit: De lange weg naar de bevrijding / Verzet en onderdrukking in Doetinchem door Karel Berkhuysen, Jaarboek Achterhoek en Liemers nr. 43 – 2019)

Alfred William Ogg komt op een andere manier om het leven. Hij is de verantwoordelijke voor de brandstofvoorziening bij een veldwerkplaats voor voertuigen. Bij de brandstofvoorraad wordt soldaat Freddie Ogg op 1 april 1945 gedood, twee dagen na zijn 21e verjaardag.


Kapelaan Bishop schrijft een brief aan de moeder van Prentiss Sands:

“Beste mevrouw Sands,
Er is mij zojuist ter ore gekomen dat uw zoon Pte J. P. Sands gestorven is aan zijn verwondingen op 1 april 1945. Kapelaan Royle heeft hem begraven op een kleine, tijdelijke Canadese begraafplaats. (…) In het huis van mijn vader zijn veel kamers; ik ga een plek voor u klaar maken (John 14). (…) God zegene u.”

Kapelaan Royle schrijft:

“Als de kapelaan die aanwezig was bij de begrafenis van uw zoon, schrijf ik u om mijn oprechte deelneming aan u te uiten en om u te vertellen wat ik kan over hem. Dat is helaas heel weinig omdat hij al was overleden bij aankomst in het veldhospitaal. Alles wat ik weet is dat hij bij de medische post liefdevol behandeld is. Het enige wat we hier nog voor hem konden doen is hem een eervolle begrafenis geven. (…) Het was Eerste Paasdag toen hij stierf en mijn gedachten gingen tijdens de begrafenis uit naar Goede Vrijdag met de boodschap dat God ons lijden deelt aan het kruis, inclusief het delen van de pijn van het sterven van zijn zoon voor anderen. Pasen zou er niet zijn zonder Goede Vrijdag. Pasen met zijn glorieuze boodschap dat de dood niets anders is dan een poort naar het eeuwige leven naast God.”


In kranten in Canada verschijnen tijdens de oorlog regelmatig overlijdensberichten van gesneuvelde soldaten. Zo ook voor Walter Edward Brown en Freddie Ogg.

Alle negen gesneuvelden ontvangen de volgende onderscheidingen:

  • 1939 – 1945 Star
    France & Germany Star
    War Medal
    Canadian Volunteer Service Medal & Clasp

Archibald James Code en Prentiss Sands ontvangen daarnaast ook nog de Defence Medal.


Herbegraven in Groesbeek

Alle negen in Doetinchem gesneuvelde Calgary Highlanders krijgen een herbegrafenis op de Canadese Oorlogsbegraafplaats Groesbeek.
De begraafplaats wordt opgericht in de zomer van 1945, een team onder leiding van zes Canadezen heeft twee jaar nodig om de gehele begraafplaats aan te leggen. De begraafplaats is op 4 mei 1947 in aanwezigheid van koningin Wilhelmina en de Canadese ambassadeur in Nederland P. Dupuy en Prins Bernhard officieel geopend.
Na de oorlog loopt er een adoptieprogramma. Nederlanders die zorgen voor de graven van de omgekomen Canadezen die contact onderhouden met de nabestaanden.
In totaal zijn er 2.619 graven op deze begraafplaats (waarvan 2331 Canadezen), vliegeniers, soldaten, officieren allen met een persoonlijk verhaal. Bovendien worden op het Groesbeek Memorial 1047 vermisten herdacht.
Elk graf is te vinden aan de hand van een veld-, rij- en grafnummer.
Archie Code, Prentiss Sands en Clyde Alexander Spencer worden vanuit Bedburg herbegraven op 24 september 1945. De mannen die in Doetinchem naast de school lagen worden op 24 januari 1946 herbegraven in Groesbeek.



In eerste instantie krijgen de graven houten kruizen die later worden vervangen door ijzeren kruizen. In 1957 worden de witte, stenen zerken geplaatst zoals die er nu nog staan, vaak staat er op verzoek van de familie een persoonlijke tekst op de steen.


Lichtjesavond op de Canadese Oorlogsbegraafplaats Groesbeek 24 december 2019 – Foto: @Henk Baron


In Doetinchem, Groesbeek en Canada worden jaarlijks de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog herdacht. In Nederland kennen we de jaarlijkse dodenherdenking op 4 mei. In Canada is Remembrance Day op 11 november. Op vele oorlogsgraven in Nederland worden op kerstavond kaarsen geplaatst.


Monument voor de negen gesneuvelde Calgary Highlanders in het Mark Tennantplantsoen in Doetinchem - 4 mei 2018


Met dank aan Jack en Lyle McLaren, Fay Bennett en de familie Sands voor het delen van verhalen en foto’s.
De complete levensverhalen zijn te lezen op: www.facestograves.nl
* l/Cpl Stanley Joseph Kobylas van 1BN Royal Highlanders of Canada sneuvelde in Doetinchem maar werd in Gaanderen begraven. Drie anderen sneuvelden in Langerak, waarschijnlijk iets binnen de gemeentegrens van Hummelo & Keppel.


Sigrid Norde,
research team Faces to Graves
Februari 2020



mysteries rond levensverhalen

In Nederland en Canada zijn verschillende organisaties actief in het schrijven van levensverhalen bij Canadese oorlogsgraven. De Stichting Faces To Graves Groesbeek heeft als doel voor iedere gesneuvelde soldaat op de oorlogsbegraafplaats een levensverhaal te schrijven. Hiervoor gebruiken de vrijwilligers de online Service Files van de overleden soldaten en worden zoveel mogelijk bronnen geraadpleegd.

In 2020 vieren we 75 jaar vrijheid. Aangezien veel mannen die zijn gesneuveld ongetrouwd waren, geen kinderen hadden en ouders, broers, zussen en kameraden zijn overleden is de zoektocht naar informatie niet altijd makkelijk. Af en toe lukt het familie te vinden in Canada. Dat levert soms mooie verhalen en foto’s op. Maar ook vaak is er nog wel een herinnering aan de overleden soldaat, maar is er niks tastbaars meer in de familie. Door de tand des tijds zijn fotoalbums, brieven en medailles verdwenen. Zo staat er bij de negen Calgary Highlanders uit dit verhaal niet altijd een portretfoto. Regelmatig roepen gevonden documenten vragen op die niemand meer kan beantwoorden. Toch proberen alle vrijwilligers met de soms summiere informatie een klein monumentje te schrijven. Opdat wij niet vergeten.


Prentiss Sands en zijn verloofde


(de familie Sands denkt dat ze een Britse was, ze heeft nog brieven gestuurd naar de moeder van Prentiss maar deze zijn waarschijnlijk verloren gegaan, niemand weet nu nog haar naam)




bronnen

Commonwealth War Graves Commission
Library and Archives Canada
David J. Bercuson, Battalion of Heroes – The Calgary Highlanders in World War II, The Calgary Highlanders Regimental Foundation, 1994
De lange weg naar de bevrijding / Verzet en onderdrukking in Doetinchem, Karel Berkhuysen, Jaarboek Achterhoek en Liemers nr. 43 – 2019)
www.calgaryhighlanders.com/history/highlanders/1939-45/dcompany.htm
www.connect2edmonton.ca/showthread.php?34584-Vintage-Railway-Shots&s=901586e7f3e6b9795547d6c23a2dc78d
https://mijngelderland.nl/inhoud/canons/doetinchem/doetinchem-in-de-tweede-wereldoorlog
www.hummelo.nl/geschiedenis-hummelo/tweede-wereldoorlog/547-de-bevrijding-van-hummelo-2-april-1945.html
www.hanshendriksen.net/
www.britannica.com/place/Canada/World-War-II
www.southdowns.gov.uk/wp-content/uploads/2017/01/The-Canadian-Army-Battle-Drill-School-Stansted-Park-1942.pdf
www.tracesofwar.nl/sights/512/Canadese-Oorlogsbegraafplaats-Groesbeek.htm
https://henkbaron.nl/tag/lichtjesavond/
www.calgaryhighlanders.com
www.torontopubliclibrary.ca/detail.jsp?Entt=RDMDC-TSPA_0002112F&R=DC-TSPA_0002112F
www.rossmuseum.ca/
www.virtualmuseum.ca/sgc-cms/histoires_de_chez_nous-community_memories/pm_v2.php?id=search_record_detail&fl=0&lg=English&ex=00000650&rd=151703&sy=cat&st=&ci=4#
www.canadaatwar.ca/memorial/world-war-ii/150811/private-henry-carl-johnson/
www.findagrave.com/memorial/12904039#
www.legacy.com/obituaries/vancouversun/obituary.aspx?n=asta-borghild-harder-mclean&pid=16746167
http://canadianheroes.org/henri/henri2.htm
https://nl.wikipedia.org/wiki/Slag_om_de_Schelde
www.rosslandnews.com/news/rossland-remembers/
www.rosslandmuseum.ca/
www.veterans.gc.ca/eng/video-gallery/video/7420
www.bac-lac.gc.ca/eng/discover/military-heritage/first-world-war/first-world-war-1914-1918-cef/Pages/image.aspx?Image=112927a&URLjpg=http%3a%2f%2fdata2.archives.ca%2fcef%2fgat3%2f112927a.gif&
http://militarybruce.com/abandoned-canadian-military-bases/canadian-army-training-centres-of-world-war-ii/
www.torontopubliclibrary.ca/detail.jsp?Entt=RDMDC-TSPA_0002112F&R=DC-TSPA_0002112F
www.75jaarvrijheid.nl/2138329-14-juli-1940-de-fransen-vieren-hun-nationale-feestdag-in-londen
www.myheritage.nl/research/collection-1/myheritage-stambomen?s=141654041&itemId=183212812-1-33&action=showRecord&recordTitle=Archie+Thompson
www.wartimeheritage.com/storyarchive2/storycamp60.htm
www.findagrave.com/memorial/147803442/viola-m-turner
www.reddeer.ca/about-red-deer/history/history-of-red-deer/centennials-and-anniversaries/red-deer-during-the-wars/