de koperacties

door Karel Berkhuysen

De Duitsers hebben allerlei metaalsoorten nodig voor de fabricage van hun wapentuig. Op 18 juni 1941 verschijnt er daarom een verordening van Reichskommissar Seyss-Inquart, waarin hij de inlevering gelast van voorwerpen die geheel of grotendeels uit koper, nikkel, tin, lood of uit legeringen daarvan bestaan.


Een van de inleveradressen
(Jan Massink, Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers)


Veel Nederlanders voelen daar echter weinig voor en begraven of verstoppen hun metalen bezittingen.
In oktober 1942 begint in dat verband de eerste fase van de koperactie, oftewel de Kupferaktion. Er worden onder meer klokken uit kerken verwijderd en afgevoerd. Veel klokken uit de Achterhoek worden met vrachtauto’s naar de haven van Doesburg vervoerd om vervolgens van daaruit te worden verscheept.

Ook de Nederlandse geldstukken waarin zilver en koper zijn verwerkt, worden vervangen door munten die onder meer uit zink bestaan. Daarnaast hebben de Duitsers hun oog laten vallen op de koperen elektriciteitsleidingen. De PGEM-monteurs krijgen daarom de opdracht om bij de huisaansluitingen het koperdraad van de leidingen te vervangen door ijzerdraad.
Dat blijkt echter volgens de Duitsers onvoldoende koper op te leveren. Daarom begint in augustus 1943 fase 2. Om toe te zien of de elektrici-teitsbedrijven daarbij wel voldoende animo aan de dag leggen, wordt een Duitse inspecteur aangewezen. Voor de provincie Gelderland is dat Schäperkötter. Onder zijn toezicht komen de hoofdleidingen aan de beurt. Omdat het ijzerdraad zwaarder is dan de koperen leidingen moeten de masten worden versterkt of vervangen.

Eén kilometer netlengte levert 1300 kilo koper op. Aanzienlijke hoeveelheden komen echter niet in Duitse handen omdat veel PGEM’ers dat weten te voorkomen. PGEM-monteurs verbergen veel rollen PGEM-koperdraad in transformatorhuisjes, sloten, hooibergen en onder een mestvaalt. Ook begraven ze vele bossen.


Achterhoekse klokken op de kade van de Doesburgse haven (Jan Massink, Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers)


De Duitsers vragen zich af waar al die leidingen blijven. Ze voeren daarom onverwachte controles uit. Onder meer in het magazijn in Doetinchem. Ze zijn amper bezig met het napluizen van de boekwerken als monteur Bart Timmermans binnenkomt. “Wat is het hier koud”, zegt hij tegen de magazijnmeester. “Waarom brandt de kachel niet?”
“Steek ‘m maar aan”, is het antwoord.
Timmermans haalt een hoeveelheid kolen, maar voordat hij die in de kachel gooit, doet hij er poetskatoen tussen dat hij eerst in de afgewerkte olie en vet heeft gedoopt. Het gevolg is dat de kachel snel brandt, maar ook begint te roken. De rook en de stank zijn zo hevig dat de Duitsers hoestend en proestend het magazijn uitrennen. Na enige tijd komen ze terug. Maar dan is de hoeveelheid koperdraad die ze in beslag wilden nemen, verdwenen.