het doetinchems verzet



door Karel Berkhuysen

Op xx kwam Prins Bernhard naar Doetinchem om kennis te maken met enkele Doetinchemse verzetsmensen. havezathe Hagen

Al enkele maanden na de Duitse inval wordt er in Doetinchem een afdeling van de Ordedienst opgericht door reserve-majoor Meijerman. Hij is directeur van de Rijkskweekschool in de stad. Zijn afdeling heeft de naam Oude IJssel gekregen en maakt deel uit van het Gewest Achterhoek.
Ook Fokke Roosjen, een leraar van de christelijke kweekschool, de Groen van Prinstererschool geeft leiding aan een verzetsgroep. Tevens heeft huisarts Libbe Tjalma een leidinggevende rol.

Na enige tijd gaan de Doetinchemse groepen samenwerken. Er worden vijf commandanten benoemd. Een van hen is Co Hettinga. Hij en de vier anderen geven leiding aan een groot aantal actieve verzetsmensen die zijn onderverdeeld in kleine groepen van gemiddeld acht personen. Elke groep heeft zijn eigen specifieke taken. De leden ervan kennen over het algemeen alleen de leden van de eigen groep. Ingeval van arrestatie of verraad wordt op die manier voorkomen dat de andere groepen gevaar lopen4.

Als in april 1943 Meijerman moet onderduiken, wordt het commando overgenomen door zijn collega Thijs Lichtendahl, ook wel Grote Thijs genoemd. Zijn schuilnaam is Ome Jo.
Ook zijn zoon, die eveneens Thijs heet, houdt zich bezig met verzetswerk. Hij heeft de naam Kleine Thijs gekregen.
‘Grote’ Thijs heeft drie broers. Een van hen is monteur bij de PGEM; hij is lid van de NSB en wordt door het verzet als fout bestempeld.
Thijs Lichtendahl senior geeft onder meer les aan kwekeling Frida Garretsen, de dochter van molenaar en bakker Herman Garretsen en Antje Garretsen.
Frida woont met haar ouders en broers Hans en Jan in het uitgestrekte en dunbevolkte buitengebied het Hoge Strengseveld in de omgeving van Achter-Drempt, tien kilometer ten westen van Doetinchem. Naast hun boerderij bevindt zich een bakkerij en een maalderij.
De woning van Garretsen is een belangrijk adres voor het verzet. Het is onder meer een verzamelpunt voor koeriers die er vrijwel dagelijks uit allerlei delen van de Achterhoek berichten komen brengen. Een van de koeriers is Niesje van Essen, een onderwijzeres uit Silvolde. Voordat zij en de andere koeriers binnen worden gelaten, dienen ze een wachtwoord te noemen.
De berichten die ze bij zich hebben, belanden op het bureau van een verzetsman die de schuilnaam Ome Jan gebruikt. Hij rangschikt de gegevens en voorziet ze daar waar nodig van een pinpoint, een plaatsaanduiding op een stafkaart. Vervolgens zorgt hij ervoor dat de berichten worden verstuurd.
Een deel wordt verzonden door middel van een zender van de buren, de familie Hakvoort. Daaronder zijn ook vaak gegevens die de markante verzetsman Schuurman uit het Ruinerwold heeft verzameld. De Drent die diverse schuilnamen gebruikt, noemt zich in Achter-Drempt Ome Sjierp.
Schuurman is hoofd van de verzetsgroep Marx die zich vooral met spionage bezighoudt. Hij bezoekt de familie Garretsen veelvuldig. Hij fietst heel Nederland door en brengt onderweg onder meer Duitse verdedigingswerken in kaart. De opgerolde kaarten verbergt hij in de buizen van zijn fiets.

Daarnaast worden veel berichten naar Andreas Höpink in Giesbeek gebracht. Höpink is daar directeur van de aan de IJssel gelegen dakpannenfabriek. Hij heeft tijdens de Duitse inval als reservekapitein op de Grebbeberg het bevel gevoerd over een compagnie pantseraf-weergeschut; de compagnie van de tijdens deinval op de Grebbeberg gesneuvelde Wim Berntsen uit Loerbeek.
Al snel na de capitulatie heeft Höpink zich aangesloten bij de Ordedienst. Hij is districtscommandant in de Liemers en zorgt er onder meer voor dat de berichten van het verzet uit de Achterhoek en de Liemers terecht komen op de westoever van de IJssel. Dat gebeurt meestal met een roeibootje om te voorkomen dat de berichten worden onderschept door Duitse controleposten die de bruggen bewaken.


In Doetinchem speelt Jan Houtsma een belangrijke rol in het LO-verzetswerk. Hij heeft een punt gezet achter zijn studie in Utrecht en is teruggekeerd naar zijn voormalige woonplaats. Hij woont weer bij zijn ouders in een statig herenhuis in de Plantsoenstraat waar zijn vader een huisartsenpraktijk heeft.
Jan Houtsma maakt veel gebruik van de PGEM-verbinding om berichten door te geven. Daarnaast heeft hij de beschikking over drie zenders. Ze zijn speciaal ontworpen en zijn voorzien van een niet al te lange antenne. Het is mogelijk om er rechtstreeks mee naar Engeland of Amsterdam te zenden. Omdat er altijd kans is op een storing of andere onderbreking, wordt het complete bericht dat naar Amsterdam wordt verzonden ook naar Groot-Brittannië herhaald.

Een ander lid van de Doetinchemse LO-groep is Wim Lindenhovius. Hij werkt op gezette tijden in de horlogerie van zijn ouders in het centrum van de stad. Tevens is hij lid van de vrijwillige brandweer. Een baan die hij aan bekenden te danken heeft om op die manier te ontkomen aan de Arbeitseinsatz. Tevens geeft het hem de mogelijkheid om voor zijn verzetswerk na de avondklok op straat te mogen komen. Om vooral de indruk te wekken dat hij voor de brandweer op pad is, hangt zijn brandweerhelm altijd aan het stuur van zijn fiets. In zijn binnenzak ontbreekt echter nooit een pistool.
Hij en de overige leden van zijn groep houden zich vooral bezig met het onderbrengen van onderduikers die ze veelal achter op hun fietsen vervoeren naar boerderijen in de Achterhoek. Daarnaast verzamelen ze gegevens over de Duitsers en hun posities. Die informatie geven ze vervolgens door, middels zenders en PGEM-telefoons. Het is vooral PGEM-monteur Jan Griess die de berichten doorbelt. Hij wordt daarom door het verzet de telefoonman genoemd.

Zijn broer Herman is eveneens PGEM’er. Hij is hoogspanningsmonteur en woont in een dienstwoning naast het onderstation aan de Keppelseweg. Als telefoniste Annie Luimes om vijf uur naar huis gaat, wordt de telefoonverbinding van het PGEM-kantoor in de Grutstraat om de week automatisch naar hem doorgeschakeld. Gedurende de andere week komen de telefoontjes buiten kantoortijd bij monteur Gerard Bannink binnen, de bewoner van het naastgelegen gedeelte van de dubbele dienstwoning.
Indien Gerard Bannink telefonisch belangrijke informatie door wil geven, houdt hij nauwlettend in de gaten wanneer hij telefoneert. Hij beseft dat anderen mee kunnen luisteren en hij vertrouwt zijn NSB-collega’s niet. Wanneer zij bellen, luistert hij vaak mee. Vooral als ze gesprekken voeren met partijgenoten. Indien het naar zijn mening over belangrijke zaken gaat, dan geeft hij die informatie door aan collega’s waarvan hij weet dat ze contact hebben met het verzet.

Wanneer de Doetinchemse verzetsmensen informatie door willen geven, melden ze zich meestal aan de achterzijde van het PGEM-gebouw in de Grutstraat. Dat gebeurt in veel gevallen door verzetsman Wim Lindenhovius. Meestal is het dan PGEM’er Jan Griess die naar buiten komt. Hij is ook degene die de berichten vervolgens onmiddellijk doorbelt. Dat lukt echter niet altijd. ”De lijn is nu niet goed”, laat hij Lindenhovius dan weten.
Griess vertelt dan niet of hij daarmee bedoelt dat er iets met de lijn is of dat er iemand op dat moment op de lijn zit die hij niet vertrouwt.



Aan het begin van de Wilhelmina-Thorbeckestraat*, op nummer 6, slechts enkele tientallen meters van de school, woont in de helft van een dubbel woonhuis, het echtpaar Kappelle met hun twee zoons Jan en Joop. Jan maakt deel uit van het Doetinchemse verzet.
Aan het einde van de straat woont Annie de Graaf met haar ouders. Annie is eveneens aangesloten bij het verzet. Clara Kossen is haar schuilnaam. Ze is als koerierster begonnen en wordt om die reden binnen haar verzetsgroep ‘ons boodschappen-meisje’ genoemd.

Annie de Graaf is langzaam maar zeker steeds meer betrokken geraakt bij het verzetswerk. Ze begon met het rondbrengen van illegale krantjes, maar niet veel later haalde ze wapens op in Groningen. Vervolgens wordt haar gevraagd om te gaan zenden. Ze stemt toe. Voordat ze echter voor die taak in aanmerking komt, dient ze zich op een afgesproken plek ver buiten de stad te melden. Na een lange fietstocht wordt ze er opgewacht door een officier en een helper die speciaal voor het zenderwerk boven Nederland zijn gedropt en de Achterhoek en de Liemers tot werkterrein hebben. Ze krijgt les in het coderen en decoderen van berichten. Als ze dat onder de knie heeft, gaat ze zenden. Daartoe moet ze telkens grote afstanden fietsen met in haar fietstassen de accu’s die nodig zijn voor de zender.

Het Duitse peilcentrum dat zich in de Achterhoek bezighoudt met het opsporen van de zenders van het verzet is in de Doetinchemse villa Ruimzicht gevestigd. De Duitsers hebben het fraaie witte gebouw al in juli 1940 gevorderd. Wanneer ze zendsignalen opvangen, rukken ze meteen uit met een peilwagen om te pogen de zender te traceren. Het verzet dient dan tijdig de zender te waarschuwen zodat de apparatuur zo snel mogelijk verplaatst kan worden.

._______

* Op 21 januari 1942 laat Generalkommissar Wimmer door middel van een circulaire aan de gemeent-besturen weten dat de straten die de namen dragen van nog in leven zijnde leden van het koninklijk huis veranderd moeten worden. De naamsveranderingen hebben tot doel om het Nederlandse volk de monarchie zo snel mogelijk te doen vergeten. In Doetinchem krijgt daarom de Wilhelminastraat de naam Thorbeckestraat. Het aangrenzende fraaie Julianaplein gaat Thorbeckeplein heten en de Prins Bernardstraat wordt in het vervolg Oldenbarneveldstraat genoemd.




De Doetinchemse woning en praktijkruimte van huisarts en verzetsleider Libbe Tjalma en zijn echtgenote Louise Tjalma-Tak die eveneens huisarts is. NSB’ers hebben een tekst geplakt over het bord voor het huis met de mededeling dat er de Engelsche ziekte heerst. Een tekst die duidt op Britse sympathieën Privé-collectie Foeke Tjalma


Verzetsleider Thijs Lichtendahl senior

Privé-collectie Jan Garretsen


VOLGT