Doetinchem is al bijna een week bevrijd. Maar dat betekent nog niet dat al het gevaar is verdwenen. Dat blijkt op zaterdagmorgen 7 april als zich bij de molen een drama voltrekt.


door Karel Berkhuysen


Zaterdagmorgen 7 april 1945, kwart over elf. Vijf dagen is de stad bevrijd. De oude binnenstad is na drie geallieerde luchtbombardementen en een twee dagen durende strijd tussen Duitse verdedigers en Canadezen veranderd in een spookstad. Van veel huizen resten slecht puinhopen of zwartgeblakerde staketsels. Op veel plaatsen ligt achtergelaten of kapotgeschoten oorlogsmaterieel, waaronder hulzen en munitie.
Veel bewoners die na de bombardementen hun woningen hals over kop hebben verlaten, zijn teruggekeerd. Sommigen zoeken tussen de restanten ervan naar bruikbare materialen. Anderen hebben een begin gemaakt om de schade te herstellen.

In de Hooge Molenstraat, op nummer 24, is Hendrik Roodakker, vader van vijf kinderen, bezig met het plaatsen van nieuwe ruiten in zijn woning. Zijn oudste zoon, de zeventienjarige Henk, helpt hem daarbij. De jongen snijdt zich echter aan het glas. Een hevig bloedende vinger is het gevolg.
“Dat moet worden gehecht”, concludeert zijn vader. “Ga gauw naar dokter Ziesel.”
Zijn moeder Maria wikkelt de hand in een doek om het bloeden enigszins te stelpen.
“Als je langs de molen komt, vraag daar dan aan Tonia of ze naar huis wil komen”, zegt ze. “Ze moet even een klusje voor me doen.”

Als Henk, onderweg naar het huis van de arts aan de IJsselkade, de Molenberg passeert, treft hij daar inderdaad Tonia aan.














De Molenberg met de Walmolen Daarachter bevindt zich Garage Hendriksen. Links achter de boom is een deel van drukkerij Misset zichtbaar (maquette Stadsmuseum)

Zijn achttienjarige zus is druk in gesprek met twee Canadese militairen. Ook hun elfjarige broer Jantje is op de Molenberg. Hij staat met een vriendje bij twee andere Canadezen te kijken. Vier kinderen van de uit Zevenaar geëvacueerde familie Hugen zitten naast elkaar op de heuvel. Ook vier kinderen van het gezin Esman zijn aanwezig. Zij wonen op het naastgelegen Fort.
Op de verhoging bevinden zich eveneens vier kinderen van de familie Weideman uit Bennekom: de 21-jarige Jannetje, haar één jaar jongere zus Theodora, de twaalfjarige Petrus en de negenjarige Antonie.











Hun moeder Theodora is met haar acht kinderen in Doetinchem opgevangen na de evacuatie van hun woonplaats na de Slag om Arnhem in september 1944. Hun vader Barend is vanwege zijn rol in Duitse dienst in Kamp Vught opgesloten.
“Wil je naar huis gaan”, roept Henk naar Tonia. “Je moet moeder even helpen.”
Tonia geeft onmiddellijk gehoor aan het verzoek en loopt naar huis. Henk rent verder en passeert daarbij vier Duitse antitankmijnen die na de bevrijding van de stad zijn opgegraven. Ze liggen op de rand van de Molenberg aan de kant van de weg ter hoogte van Garage Hendriksen.
Als hij op de IJsselkade is, klinkt er een oorver-dovende knal. De mijnen zijn ontploft.
De gevolgen zijn verschrikkelijk. Vier Canadezen en zeven kinderen zijn verdwenen. Slechts hier en daar liggen lichaamsdelen, onder meer van de vier kinderen van het gezin Weideman en van de zeventienjarige Albertina Hugen.
Van de veertienjarige Bennie Esman worden geen stofelijke resten gevonden. Slechts een kledingstuk dat hij droeg, wordt teruggevonden op het dak van drukkerij Misset. Zijn beide zusjes zijn zwaargewond. Bij een van hen is een stuk schedel weggeslagen.
Ook van Jantje Roodakker is geen spoor meer te bekennen. Totdat vader Hendrik ’s avonds op het dak van Garage Hendriksen een deel van een onderarm vindt. Aan de flarden stof die er omheen hangen, herkent hij de mouw van het jasje van zijn zoontje.