de beknotting van de persvrijheid

door Karel Berkhuysen


De Duitsers hebben al vijf dagen na de inval het Algemeen Nederlands Persbureau, het ANP, overgenomen en er een afdeling van het Deutsches Nachrichten Büro van gemaakt. De dagbladen krijgen vervolgens niet te maken met een directe censuur, maar er wordt wel een absolute loyale houding geëist. De directies ontvangen daar op strikt vertrouwelijke wijze richtlijnen voor. Publicaties die voor Duitsland nadelig zijn of voor de geallieerden militair voordeel op zouden kunnen leveren, zijn verboden. Ook mogen er geen berichten uit anti-Duitse bronnen worden opgenomen en moet elke dag het communiqué van het Oberkommando van de Wehrmacht worden gepubliceerd.

Het beleid wordt bepaald door het departement van Volksvoorlichting en Kunsten. Dit departement vaardigt op 2 mei 1941 het journalistenbesluit uit dat een omschrijving bevat van de taak van journalisten.

De NSB’er dr. Tobias Goedewaagen, de secretaris-generaal van het departement van Volksvoorlichting en Kunsten, geeft in zijn toespraak op 21 augustus 1940 tijdens een bijeenkomst van dagbladdirecteuren exact het kader aan waarbinnen de Nederlandse pers dient te functioneren: “Wat in Duitsland gebeurt, is het enige goede. Uw vrijheid bestaat daarin, in vol enthousiasme met ons meegaan of niet.”

Op die manier hopen de NSB’ers en de Duitsers langzaam maar zeker de geesten rijp te maken voor het nationaalsocialistische gedachtegoed. Dat dit volgens hen stapsgewijs dient te gebeuren, heeft als reden dat de lezer niet onmiddellijk moet herkennen dat het om nazipropaganda gaat.


In het najaar is er een grote reorganisatie van de geschreven pers. Als reden voert het departement van Volksvoorlichting en Kunsten een tekort van papier aan, maar de werkelijke redenen zijn dat het pluriformiteit wil voorkomen en meer controle wil over publicaties.

Journalisten en redacties worden daardoor geconfronteerd met de vraag hoe ver zij kunnen gaan met het schrijven en plaatsen van artikelen. Het gevolg is dat sommige bladen zichzelf opheffen. Andere worden óf genoodzaakt op te houden te verschijnen óf worden onder nationaalsocialistische leiding gesteld.

De journalisten worden verplicht lid te zijn van het Verbond van Nederlandsche Journalisten, een organisatie onder nationaalsocialistische leiding. Zonder dat lidmaatschap kunnen zij hun beroep niet uitoefenen. Joodse journalisten kunnen echter geen lid worden en degenen die zich niet houden aan de bepalingen van het Journalistenbesluit worden bedreigd met geldstraffen en uitsluiting van het verbond.

Eind 1942 telt het verbond 1400 leden. Dat betekent dat 90 procent van de journalisten lid is. Slechts 75 van hen stappen over naar de illegale bladen die in steeds grotere aantallen verschijnen5.

Ook op dat gebied blijkt de Nederlandse verzuiling, want allerlei politieke stromingen en geloofsovertuigingen hebben een eigen illegaal blad6.

Aanvankelijk houden de bladen de bevolking voor om zich niet bij de bezetting neer te leggen. In een later stadium roepen ze op tot actief verzet. Maar de discussies over de inrichting van Nederland na de bevrijding laten duidelijk de verschillende opvattingen tussen de bladen zien.


Het grote aantal illegale bladen draagt er echter voor een belangrijk deel aan bij dat het de Duitsers niet lukt om Nederland te nazificeren.

Ook de leiding van dagblad De Gelderlander moet zich conformeren aan de nieuwe situatie. De krant probeert in eerste instantie tussen de klippen door zijn koers te bepalen. Maar als de Duitsers een NSB’er als nieuwe hoofdredacteur willen benoemen, weigert de directeur dat. De abonnees kunnen even later lezen dat door papierschaarste de krant na 14 maart 1942 niet meer zal verschijnen.




In de Achterhoek verschijnt sinds eind 1941 ook de Graafschap-Bode niet meer. De grootste krant in die regio is door de Duitsers verboden. De directie van uitgeverij en drukkerij Misset bezoekt diverse keren het departement van Volksvoorlichting en Kunsten in Den Haag in een poging de Graafschap-Bode weer te laten verschijnen. Dat lukt uiteindelijk. In november 1942 valt de krant plotse-ling weer bij de abonnees in de bus. De directeuren Kees en Henk Misset hebben daar echter aanzienlijke concessies voor gedaan, want vanaf dat moment drukken twee NSB-redacteuren een grote stempel op de inhoud van de krant.