De vlucht van Ans van As uit de

brandende stad op tien doeken


door Ans van As


Ans Berendsen groeide op in een groot gezin in de Boliestraat waar haar ouders een distileerderij en drankenwinkel runden. Toen ze elf jaar was, werd de binnenstad gebombardeerd.
Op oudere leeftijd schilderde ze datgene wat ze toen zag. Op elk schilderij beeldde ze zichzelf af; met kinderwagen.

Ans van As ziet zichzelf weer hoe ze 73 jaar eerder de stad ontvluchtte

.

Toen de mobilisatie werd afgekondigd moesten mijn broers onder dienst. Vader wilde eerst een foto laten maken.. Een fotograaf kwam en er werd een mooie foto gemaakt in de tuin.

Op 10 Mei 1940 ‘s morgens om half vijf schrokken wij wakker door een enorm lawaai. Vader ging kijken wat er aan de hand was.
Even later kwam hij terug, stond onder aan de trap en zei zeer verslagen: “Het is zo ver.”
De oorlog was uitgebroken, het had al een tijd gedreigd en nu was het zo ver. Het lawaai was het opblazen van de brug, om nog te proberen de Duitse soldaten tegen te houden.

Bernard vocht op de Grebbeberg. We waren thuis heel bang dat hij zou sneuvelen. Dictus zat in Amsterdam. Na enige dagen zag ik op het plaatsje een soldaat aankomen. Ik schrok ontzettend en rende naar binnen en riep. “Een Duitse soldaat, een Duitse soldaat”.
Het was geen Duitse soldaat, het was gelukkig Bernard. Hij was gevlucht van de Grebbeberg en kwam ongedeerd weer thuis.
Ik heb tot nu toe een liedje hierover altijd onthouden. Het was van Willie Derby.

Koop eens een handje vol bloemen
en leg die neer op zo’n graf.
Want daar rust een held die op het Grebbeveld
zijn leven voor het vaderland gaf.
Zij die in vrede hier slapen
hebben hun offer gebracht
Sluimer, sluimer zacht.



De woning en stokerij van de familie Berendsen in de Boliestraat


19 maart 1945

Het is ochtend, ongeveer half negen. Ik kom uit de kerk met mijn zussen, want er was een mis gelezen voor mijn overleden broer Bernard. Hij was mijn oudste broer en was gestorven aan difteritus toen hij 26 jaar was. We waren net op de stoep tegenover ons huis toen de bommen vielen. We vlogen de straat over. Broer Jan schoof de knip van de deur en we renden naar binnen en toen de kelder in.
De bommen waren gevallen in de Waterstraat Op het huis van de familie Diepenbroek. Vader Diepenbroek was schoenmaker en had een groot gezin.  Ria Diepenbroek zat bij mij op school. Ze was deze morgen met een broertje naar de kerk en dus niet thuis toen de bommen vielen. Vader, moeder en de kinderen werden onder het puin vandaan gehaald en naar het ziekenhuis gebracht.

Ze waren er allen zeer slecht aan toe. Vader Diepenbroek kon prachtig zingen. In het ziekenhuis heeft hij, zelf stervende, voor vrouw en kinderen gezongen: In paradisum deducant te angeli, naar het paradijs geleiden u de engelen. Dit lied wordt altijd gezongen bij een uitvaart als de kist de kerk uit wordt gedragen.
In de Waterstraat werd ook het huis van de familie Overling getroffen. Daar is de vijfjarige Albertje omgekomen.

Terwijl ik bezig ben met het schilderen van de Waterstraat na het bombardement zie ik in de krant een advertentie. Het is het overlijdensbericht van een van de zusjes Overling. Na 72 jaar wordt Albertje nog herinnerd en genoemd.





21 maart 1945

Op deze dag, 21 maart, begint de lente. Het is een prachtige zonnige dag. Ik kan heerlijk buiten spelen. Ik zit in de zandbak bij buurkinderen. Het zijn Mimi, Kate en Toos Willemsen. Er is ook nog een ander meisje uit de straat, ze heet Jennie. We zijn leuk bezig in de zandbak als moeder Willemsen achter in de tuin komt. Ze zegt tegen Jennie en mij,
‘Ik wil dat jullie naar huis toe gaan, ze vliegen zo over, het ziet er zo dreigend uit’.
Ik ga inderdaad naar huis achter door de tuin, door de bergplaats kom ik op het plaatsje. Daar breekt de hel los, mijn broers vliegen de keuken uit, een bord eten in de hand. Op het plaatsje is de ingang naar de kelder. Dictus roept: “Het voorhuis of het achterhuis ligt in mekaar.”
Iedereen die thuis is, rent de kelder in. Daar wachten we tot het inslaan van de bommen voorbij is.
Vader en de jongens gaan kijken wat er is gebeurd. Alles in de Boliestraat ligt in puin. De jongens gaan helpen mensen onder het puin vandaan te halen. Zo ook naar het huis van Scheerder. Daar haalden ze Hein er onder uit. Moeke Scheerder is omgekomen. In de kelder komt vrouw Polman aangestrompeld. Ze heeft een houten been. Aan haar arm hangt een mandje met daarin een ham. Dan komt een meisje uit de straat huilend de keldertrap af “Hansje is gewond en moeder is dood.”
Later bleek dat ze beiden waren omgekomen. Tegenover ons woonde de familie Hermanns. Ze hadden een klokkenwinkel. Ook dat pand lag in puin. Opa Hermans is ‘s avonds, na gevlucht te zijn uit de stad, op de Wijnbergseweg bij een tweede bombardement alsnog omgekomen.
Midden in de Boliestraat lag Jennie. Ze was enige tellen later naar huisgegaan dan ik en lag daar met doorgesneden hals door een bomscherf. Ze was dood.

Mijn zus Tinie was op weg naar bakker Dimmendaal om brood te halen. Ze liep in de Waterstraat net bij tante Tecla van café Berendsen, toen het geweld losbarstte. Ze vloog daar naar binnen. Toen het weer stil was geworden, renden tante Tecla, buren en andere mensen en ook Tinie de brug over naar Dichteren toe. Thuis misten we Tinie en Herman zei: “Tinie zien we nooit weer.”
Lopend op de Dichterseweg dacht Tinie opeens:
“Hoe zou het thuis zijn?”
Ze keerde zich om en rende terug naar huis.

Zus Jo was als vrijwilligster aan het werk op het evacuatiebureau. Na de inslagen rende ze door de brandende stad naar huis. Thuisgekomen riep ze: ”De hele stad staat in brand en bij Vriezelaar zijn ze allemaal dood.”
De familie Vriezelaar had een schoenenzaak In de Hamburgerstraat. In dat pand is iedereen omgekomen, de familie zelf, personeel en mensen uit Arnhem die hier naar toe waren gevlucht.
Wat later werden meubels en spullen uit ons huis gehaald en achter in de tuin gezet. Mijn moeder zat daar op een stoel, met haar jas aan en hoed op. Er was een oude kinderwagen van de zolder gehaald en volgepakt met weckflessen met eten en daarop nog wat kleren gelegd.
Ik moest van mijn moeder vast naar Wijnbergen gaan naar de familie van Onna. Mijn oudste broer Bernard was verloofd geweest
met Jo van Onna. Hij kreeg echter difteritus en overleed, in geval van nood konden we bij deze familie terecht.
Ik liep alleen en doodsbang over de IJsselkade, over de brug naar de Wijnbergseweg. Daar keek ik nog eenmaal om en zag een enorme  vuurzee en de toren van de Catarinakerk viel net om. Dit moment is op mijn netvlies gebrand tot nu toe. Hierna liep ik verder.
Er vluchtten meer mensen de stad uit. Een ouder echtpaar, ook mensen uit Arnhem, die ik later bij van Onna ontmoette. Ze stootten elkaar aan en zeiden:
“Kiek toch eens wat zielig.”
Verder op de weg kwamen er weer vliegtuigen over gevlogen met mitrailleurs. Ik sprong in een mansgat. Bij van Onna werd ik hartelijk ontvangen.
Dictus en Jan waren net thuis. Ze hadden die dag bij de ArbeitseinsatzMoeten werken. Ze kwamen in de Boliestraat een zoon van Kunst tegen. Ze hebben hem vrolijk goedendag gezwaaid. Hij was daarna op de Markt op het fatale moment. Van hem is nooit iets terug gevonden.
Op de Markt woonde ook Ietje Jansen. Ze zat bij mij in de klas en ik speelde vaak met haar. Haar vader had een kapperszaak. Hun huis is ook gebombardeerd en hun vader is daar bij omgekomen.
Naast de kapperszaak was de drogisterij van Opa Meijer. Ietje en ik mochten weleens bij hem op zolder spelen met oud speelgoed. Opa Meijer lag ook dood onder het puin.



Ans van As wijst naar haar ouderlijk huis op een van haar schilderijen tijdens een expositie in het Stadsmuseum.


We bleven in Wijnbergen tot na de bevrijding.
’s Nachts sliepen we in de kelder, ik sliep boven op de berg aardappelen.
Op 1 April, eerste paasdag, kwam er een tank aan met Canadese soldaten die ook weer snel vertrokken. Enige dagen later gingen we terug naar huis. Mijn broers en zussen gingen allemaal aan het werk om alles weer wat op te knappen. Ik ben alleen gaan wandelen door de stad. In de bovenramen, zonder ruiten, van het huis van Sauer zaten soldaten met geweren. Later vond ik bij Dictus foto’s van de vernielde straten zoals ik ze toen zag.
Op een avond kort daarna stond vader buiten te praten met iemand. Ik stond er naast stoep op stoep af te springen. Er kwam een Canadese soldaat naar me toe, lachte en gaf me een plak chocola.