Wil van Hilten


Wil van Hilten (geboren 1928) woont in Waterrijk in Doetinchem. Zij wilde graag haar herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog delen. Opdat we nooit vergeten en dat vrijheid niet vanzelfsprekend is.
Ze was 11 jaar toen de oorlog uitbrak. Ze kan erover praten alsof het de dag van gisteren allemaal gebeurde. Dat deed ze met Nicole te Brake. En die schreef het allemaal op.


door Nicole te Brake

Mevrouw W. A. van Hilten (Wiebke Wilting Photography)

“Ik herinner het me nog goed. We schrokken heel erg toen de brug over de Oude IJssel de lucht in knalde. De Duitsers moesten toen via de andere kant Doetinchem in. En ja, wat doe je als kind dat daar in de buurt woont… Je ging kijken! Daar kwamen ze aan. De pantservoertuigen en grote groepen met militairen trokken aan je voorbij. Ik wist niet wat ik zag! Het was zo interessant dat we de hele dag niet hadden gegeten. We woonden daar in de buurt aan de Torenallee. We hebben al die tijd op het bordes van het hoofdkantoor van Geldersche Tramwegen zitten kijken. Als kind had ik op dat moment nog niet helemaal door wat oorlog betekende. Die parade leek dan ook meer op een feestje dan het begin van de oorlog. We wisten niet beter. Maar een ding was zeker, het was begonnen.”

“Wat ik heel erg naar vond was het luchtalarm. Als het klonk moest je maken dat je ging schuilen. Huizen die een goede kelder hadden, hadden een grote K op de muur staan. Om te laten zien dat buren en voorbijgangers in die kelders konden schuilen. En dat was vaak nodig, want het luchtalarm ging nog weleens. Vaak als we in bed lagen, hoorden we de vliegtuigen in de verte al aan komen brommen. Ze trokken hier over om in Duitsland de bommen te laten vallen. Dan klonk al gauw het luchtalarm en dan zag je schijnwerpers die een kruis vormden. En als er dan een vliegtuig precies in het midden kwam was er hevig afweergeschut vanaf de grond. En dan een grote knal! Weer een vliegtuig neergehaald. De volgende dag gingen we dan ook nog kijken naar het wrak.”

“Als mijn broertjes en ik bang waren, kroop ik bij ze in bed. Tussen hen in. Armpjes om hen heen en daar lagen we dan te bibberen. We hoorden de militairen met hun lompe laarzen door de straat marcheren. En toen werd er bij ons aangebeld. We verstijfden van angst. Vader moest mee om in Zevenaar loopgraven voor de Duitsers te graven. Mijn moeder bleef heel rustig en zei dat ze eerst brood voor hem wilde smeren voordat hij mee zou gaan. Later kwamen mijn vader en alle andere mannen in de buurt terug. Daar had de familie Misset voor gezorgd. Ja… er werd gezegd dat ze heulden met de vijand. Maar ook zij werden gedwongen om met de Duitsers samen te werken.


Misset had een drukkerij en vertelde de Duitsers dat hij toch wel echt zijn arbeiders nodig had om de drukkerij draaiende te houden. Zo werd voorkomen dat onze mannen naar Duitsland werden afgevoerd om heel hard te werken en nauwelijks te eten.”

“Na de landing in Normandië op 6 juni 1944 moesten mensen uit Zeeland en Brabant evacueren. Omdat ze bang waren dat het daar te gevaarlijk zou worden als de geallieerden vanaf daar ons land vrij zouden vechten. De zuiderlingen trokken met boerenwagens door Nederland. Via Nijmegen kwamen ze uitgemergeld in Doetinchem aan. Het was erg slecht gesteld met hun gezondheid. En veel kinderen zaten vol met luizen. Een vriendinnetje en ik zaten bij het Kruiswerk om ze op te vangen in de Sint-Jozefschool. Maar dat duurde maar even, want ze moetsen de volgende dag alweer richting Groningen en Friesland. Ik weet nog dat ik thuiskwam en tegen mijn moeder zei: ‘Mam, zo zielig… een jonger echtpaar met twee kleine kindjes en een baby in de kinderwagen… Helemaal op, en ze moeten morgen weer door!’ Toen zei mijn moeder meteen ‘Breng ze maar mee’. Nadat zij een tijdje bij ons hadden gewoond moesten ze weg, want ja, dat mocht natuurlijk niet. Maar ze werden in de buurt, in Doesburg opgevangen. Ik weet nog dat ik ze met het trammetje van Dieren – Gendringen heb opgezocht. Ze hadden het er helemaal niet naar hun zin, maar het zou hopelijk niet lang meer duren voor we werden bevrijd.”

“Toen de Notre-Dame onlangs in vuur en vlam stond, moest ik er weer aan denken: de kerktoren van de Catharinakerk in vuur en vlam. Door bommen die Doetinchem helemaal platlegden op maandag 19 en woensdag 21 maart. Er kwam zoveel licht vanaf dat wij in onze slaapkamer de krant konden lezen. Tijdens deze bombardementen zijn veel mensen omgekomen. Ook drie leeftijdsgenootjes. Verschrikkelijk was dat. En toen we dachten dat we het eindelijk hadden gehad en de bevrijding nabij was, ging ik die vrijdag erna voor mijn grootouders melk halen bij Hoegen in de Grutstraat.

Toen ik net mijn kannetje vol had, klonk het luchtalarm weer. Ik bedacht me geen seconde en rende door de Dominee van Dijkweg en de Hofstraat terug. Onderweg zag ik dat school Blankenstijn was platgegooid. Verderop stond de straat blank doordat er een waterleiding was gesprongen. In de verte hoorde ik de vliegtuigen aankomen. Ik ging nog harder rennen, de melk gutste over de kan. Eenmaal thuis waren mijn moeder en buurvouw me al aan het opwachten. We schoten de kelder in. Ik had zo hard gerend dat nog maar de helft van de melk over was.

Op 1 april 1945 is Doetinchem bevrijd. Maar het gedeelte van de stad waar wij woonden, is pas op 2 april bevrijd. Dat was heel raar. Op 1 april zaten wij namelijk nog in de schuilkelder. Het luchtalarm ging af en aan. We hadden een paar matrassen zodat we om beurten even konden slapen. We mochten van vader stiekem naar boven sluipen om door het slaapkamerraam naar buiten te gluren. Daar hadden we zicht op de Duitse soldaten die zich naast ons huis hadden verschanst. En in de verte zagen we de rode helmen van de Canadezen op de brug aankomen. Het einde van de oorlog leek eindelijk in zicht!

Op 2 april werd ook ons gedeelte bevrijd. Meneer Bruil kwam de straat in met een vlag en schreeuwde ‘Kom maar uit de kelder want we zijn vrij!’ Dat kon je haast niet geloven. In de binnenstad werd nog steeds hevig gevochten. De Duitsers gingen door tot de laatste was gesneuveld. En dan kom je buiten, dat was heel onwerkelijk. De parade komt voorbij, maar alles is plat en er was alleen maar narigheid. Feest werd er nog niet gevierd.”

“We zijn nu al 75 jaar vrij. En dat moeten we blijven herdenken. De kinderen van nu zullen alleen via de televisie weten wat oorlog is in verre landen. Maar als je het aan den lijve ondervonden hebt…

Ik vind dat het herdacht moet blijven worden. Oorlogen blijven natuurlijk altijd, hoe verschrikkelijk dat ook is. Als ik het op televisie zie: die bombardementen, zoveel doden en vluchtelingen die alles kwijt zijn. We mogen dan ook nooit vergeten dat onze vrijheid van grote betekenis is.”