De Kruisberg was vanaf september 1944 gevangenis van de Sicherheitdienst.

Talloze verzetsmensen werden er gevangengezet.

Edzard Bosch van Rosentahl was een van hen. Hij hield een dagboek bij.


Mijn leven in de gevangenis  

Het leven der politieke gevangenen munt - evenals trouwens iedere andere vrijheidsberoving – uit door eentonigheid. De Kruisberg bij Doetinchem, waar schrijver dezes een zestal weken als gevangene der S.D. passeerde, maakte geen uitzondering op deze algemene regel.
De aanhouding had op straat plaats: ik werd in een garage gebracht en aldaar werden al mijn papieren en de inhoud van mijn koffer aan een onderzoek onderworpen. Het vinden van een foto van een Gestapo-agent was voldoende aanleiding voor de eerste mishandelingen.
Na enige tijd wachten werd per auto naar de hoofdzetel der S.D. gereden, alwaar een voorlopig verhoor volgde. Toen dit onvoldoende resultaten opleverde werd ik opnieuw in een auto geladen, teneinde, zoals later bleek, ter confrontatie naar de Kruisberg te worden gebracht. Voor dit vervoer werd mij in plaats van mijn overjas een soort waterdichte gecamoufleerde cape omgedaan, blijkbaar van Engels maaksel, althans werd mij toegevoegd, dat ik zeker niet gedacht had al zo spoedig een Engelse jas aan te zullen hebben.
Ter voorkoming van ontsnapping of bevrijding werden afdoende maatregelen getroffen. In de eerste plaats werden mijn handen op de rug geboeid, met een apparaat van werkelijk geraffineerde constructie. De stalen boei had in gesloten toestand deze vorm (tekening niet overgenomen), dus bijna een 8, in elk der verwijdingen past een pols. Het ergste was echter, dat de boei aan de binnenkant een open gleuf heeft waarin zich een nieuwe boei van punten voorzien kan bewegen. Vergroot voorgesteld ziet de doorsnede over zo’n boei er aldus uit: (tekening niet overgenomen). Deze binnenste van punten voorziene boei, is zodanig geconstrueerd, dat zij zich wel vernauwen, maar niet weer verruimen kan. Ieder onwillekeurige beweging met de polsen doet de pinnen dieper in het vlees dringen, maar losser komen zij niet meer. Aardig was nog de toevoeging bij het aandoen of ze gemakkelijk zaten.
Behalve de chauffeur gingen nog twee man mede, beide met M.P. gewapend: een Duitser met een stijf been en een Hollands sprekend persoon. Na confrontatie op de Kruisberg volgde het ‘verhoor’ volgens het bekende recept. Een groot pistool werd klaargelegd en doodsbedreiging volgde, wanneer niet alles werd erkend en namen en adressen van alle medewerkers genoemd zouden worden; daarentegen lijfsbehoud verzekerd, als dat wel werd gedaan. De vragen werden kracht bijgezet door mishandelingen, wanneer weer even gelegenheid werd gegeven voor een antwoord: kwam dat antwoord naar het oordeel van de ‘heren’ niet spoedig genoeg, of was het niet voldoende volledig, dan werd de krachtige hand, versterkt door een of ander instrument, opnieuw gebruikt. Nadat dit tot ’s avonds geduurd had – dat is ongeveer 5 à 6 uur, werd ik eindelijk in een cel gebracht; eten kwam er niet meer; gelukkig bleek er echter reeds een collega aanwezig, die een tien dagen eerder opgepakt was. In een dergelijke omstandigheid is de steun van een kameraad van buitengewoon grote waarde en ik ben hem dan ook altijd nog dankbaar voor hetgeen hij mij bood. Beiderzijds was echter de eerste dagen de moeilijkheid dat men elkaar niet volledig vertrouwde en vooral toen hij de volgende ochtend direct voor mij een paar minuten werd ondervraagd, was mijn achterdocht gewekt.
Het gesprek dat wij ’s avonds voerde werkte kalmerend en de nacht ging zonder stoornis voorbij. De volgende dag was het van hetzelfde laken een pak, met dien verstande, dat het verhoor door twee andere – weer een Duitser en een Hollands sprekend persoon – werd afgenomen en dat mishandelingen achterwege bleven. Als boeien fungeerde een stuk touw, waarmee de polsen achter de rug stevig aan elkander werden gebonden. Het verhoor duurde van 10 tot 5 uur. De H.H. waren echter zo goedgunstig eten voor mij te laten komen aangezien ik na het ontbijt van de vorige dag niets meer had gehad. Bij die gelegenheid mocht ik zelfs gaan zitten, hetgeen ’s middags mocht voortduren. Ook in de volgende dagen had telkens weer gedurende korter of langer tijd zo’n verhoor plaats, soms wat harder, soms zachter. Mishandeld werd ik echter niet meer en zelfs de boeien bleven achterwege, al werd wel herhaaldelijk met handtastelijkheden gedreigd. Het moet gezegd worden, dat de verhoren door de laatstgenoemde Duitser (Albrecht genaamd) volkomen correct waren; het wekte sterk de indruk, dat zonder deze de Hollands sprekende personen een geheel andere houding zouden hebben aangenomen.
Een der afwisselingen in de dagelijkse gang van zaken was dus een verhoor, echter een hoogst onaangename, omdat men nooit wist welke maatregelen getroffen zouden worden als de antwoorden niet bevredigend uitvielen. Men gaat er bij de S.D. blijkbaar van uit uitsluitend met leugenaars te doen te hebben, want op vrijwel ieder antwoord volgt: “Je bent een aartsleugenaar”, of “dat is natuurlijk weer gelogen”.
Bij een der verhoren werd mij gezegd dat wij de Gestapo volkomen verkeerd beoordeelden: dat die door mij en mijn soortgenoten gezien werd als een laag instrument, maar dat wij moesten begrijpen dat dit in genen dele het geval was, maar dat het daarentegen een instrument is, dat op een eervolle en aangename wijze wil samenwerken met ieder die het goede wil. Op mijn gezegde, dat de H.H. dan toch heel anders moesten optreden, werd mij geantwoord dat ik dat geheel verkeerd inzag, want ook door de Nederlandse Politie werden reeds voor de oorlog dieven en moordenaars geslagen. Ik ben op deze discussie maar niet verder ingegaan.
Van ieder verhoor werd een protocol in drievoud opgemaakt, dat na afloop werd voorgelezen en dan door mij ondertekend moest worden. Ook al een geraffineerde manier, want als men de gehele dag aan een scherp kruisverhoor onderworpen is geweest, is het buitengewoon moeilijk een voorgelezen verslag daarvan zodanig in zich op te nemen dat men nauwkeurig weet of dit weergeeft hetgeen men heeft gezegd. Toch is dat noodzakelijk want later wordt dit protocol natuurlijk bij de verdere verhoren en bij het beoordelen van de straf als bewijs aangenomen. Het protocol is allereerst zur Person waarin het gehele doopceel van de betrokkene voorkomt, niet alleen van hemzelf maar ook zijn echtgenote, zijn kinderen, levensloop, betrekkingen, vermogen en inkomen worden vermeld. De rest is zur Sache Naar schatting zal mijn protocol een twaalf tot vijftien bladzijden getypte foliovellen beslaan.
Bij mijn aankomst op de Kruisberg werd ik ten tweeden male, en nu grondiger, onderzocht. Eerst toen moest ik al mijn zakken uitpakken, mijn schoenen uittrekken en werd ik aan alle kanten betast. Toch was het een eenvoudig kunstje geweest papieren mee te nemen: mijn schoenen werden bv. niet nagekeken: evenmin werd nagegaan of ik in mijn sokken ook papieren had. Mijn opschrijfboekje werd ook pas op de Kruisberg ontdekt; mij dunkt, als er iets compromittants had ingestaan had ik het wel kunnen verwijderen en zeker was dat het geval geweest indien ik een of meer losse papiertjes in de zak had gehad. Het enige wat men mij liet behouden was mijn bril en mijn zakdoek, verder werden ook mijn ringen mij niet afgenomen, wat anders meestal wel geschied en wonder boven wonder, heeft men mijn polshorloge niet ontdekt. Door het aanbrengen van de boeien was het omhoog geschoven, zodat het onder mijn mouwen geschoven was. Ikzelf ontdekte het pas toen ik al een poos in de cel was; ik heb het toen ik mijn zak gestopt, het heeft mij goede diensten bewezen en mij niet meer verlaten.
De Kruisberg, is, zoals bekend, een reeds lange jaren bestaande tuchtschool. Het is een groot complex gebouwen, afgesloten door een gracht. Onze gevangenis was slechts een klein bijgebouw. In het hoofdgebouw en in de directeurswoning waren Duitse militairen ondergebracht. Onze vleugel, gelegen aan de westzijde, bestond uit een 30-tal cellen, waar de jongens, vermoedelijk bij wijze van straf, tijdelijk in werden gestopt. Afzonderlijk daarvan, maar er vlak naast, was een gebouw in gebruik, iets grotere vertrekken bevattende, met vensters, die niet zoals de onze, getralied waren. Vermoedelijk zijn dit kleine leslokaaltjes. De meeste verhoren hadden in enkele dezer lokalen plaats terwijl de andere in gebruik schenen te zijn bij de ons bewakende landwacht.
Ons gebouw bestond uit een brede gang, waar men direct met de voordeur binnentrad. Links van de voordeur is een soort waslokaal en daarachter de keuken. Dan volgt een werkplaats en een open plaatsje, vervolgens de gang naar de binnenplaats en de trap naar boven, en dan een achttal cellen waarvan er eerst 2 en later 1 door het personeel werd gebruikt. Tussen de cellen in ligt de wasruimte voor de gevangenen, die plaats biedt voor 4 personen, met wc en urinoir. Ter rechterzijde van de gang is eerst een blinde muur, vervolgens een deur, die voert naar een afzonderlijk gangetje waar een 6-tal cellen op uit komen, benevens een waslokaal voor een persoon met wc en urinoir. Oorspronkelijk schijnt deze afdeling voor de zwaarste jongens bedoeld te zijn geweest. Het daglicht kon daar in het geheel niet doordringen, omdat de ramen met houten luiken afgesloten waren. Achter deze deur waren een 8-tal cellen waarvan er twee door het personeel gebruikt werden. Tegenover de wasgelegenheid was een smal vertrek met kasten, hetwelk de dokter in gebruik had. Boven ingang en keuken is een grote ruimte waar wij voor ons vertrek werden samengebracht en verder boven de eerste 4 cellen, ter weerszijden van de gang eenzelfde 4-tal. Het achterste gedeelte en de zware afdeling zijn niet opgetrokken. (Tekening niet overgenomen).
Het geheel was modern ingericht; ik noemde reeds de wc’s en wasgelegenheden, waar ook afzonderlijke bakken voor de voetwassing waren. Verder is er centrale verwarming en electrisch licht en in ieder cel een bel die een rood lampje boven de deur in de gang doet gloeien en van buiten weer uitgeschakeld kan worden. De cellen in de hoofdgang zijn ongeveer 3,5 bij 4,5 meter en eveneens ongeveer 4,5 meter hoog. Aan de korte zijde is een groot raam, waarvan de onderste helft wit geschilderd is; althans aan de O. zijde van het gebouw, aan de W. zijde is het gehele raam ondoorzichtig. Het raam bestaat uit klein ruitjes, gevat in zwaar T-ijzer; een 5-tal deze ruitjes kan gezamenlijk naar binnen kleppen, maar blijft toch zo afgesloten dat men er niet doorheen kan.
Verreweg de beste cellen zijn die dus op de Oostzijde; zij komen op de binnenplaats uit: ten eerste heeft men daar ’s morgens zon – voor zover voorradig -, ten tweede kan men op de binnenplaats kijken en bij het luchten der groepen waarnemen of nieuwe bekenden zijn aangekomen, en ten derde kan men een gedeelte van het hoofdgebouw en het daarachter gelegen kerkje met en benevens een aantal bomen zien. Men kan zich dus amuseren met rondvliegende vogels, in hoofdzaak kauwtjes en duiven, de windrichting bepalen, het wolkenspel gadeslaan enz. Ik was zo gelukkig de tweede cel aan deze zijde als woonplaats aangewezen te krijgen en die gedurende mijn gehele verblijf te mogen behouden. Het komt nl. ook voor, dat men verhuizen moet; mijn eerste celgenoot was bv. in ruim 14 dagen aan zijn vierde verblijf.
Het gebouw is van beton opgetrokken – tenminste dien indruk maakt het – terwijl tegen de buitenzijde een laag baksteen is aangebracht. De muren, ook binnen, zijn ongeveer 25 cm. dik. De verwarming brandde natuurlijk niet, men kan zich dus indenken welk een kilte er in die betonnen dozen heerste. Bovendien waren de cellen zo vochtig, dat het plafond als het ware bezaaid was met druppels condenswater dat zo nu en dan naar beneden lekte en waren de buitenmuren voortdurend kletsnat. De zware afdeling scheen iets minder vochtig te zijn. Zelfs de zon kon de vocht niet verdrijven: wel maakte zij de atmosfeer iets aangenamer.
Een van de eerste dagen van mijn komst – dat is omstreeks Kerstmis 1944 – had de zon geschenen en had ik haar stand om 12 uur aangetekend; het was opmerkelijk te zien hoeveel zij na een paar dagen hoger stond. Als het mogelijk was ging ik altijd een poosje in de zon staan, zo omstreeks 12 uur, men voelde dan werkelijk enige warmte.
De koude – anders een zwak punt voor mij – heeft mij merkwaardig weinig gehinderd, hoewel ik in het begin niets dan een vrij dun pak aanhad en zelfs mijn overjas op het Onland had moeten achterlaten. Een 3-tal molton dekens vormde een goede beschutting: het ontbreken van koude voeten kan ik alleen verklaren door de houtgranieten vloer, die blijkbaar niet koud opgeeft.
In de loop van de eerste weken van mijn verblijf kwam mijn Sachberahter successievelijk aan met mijn bontjas, mijn manchester pak, wollen mouwvest, dito das, sportkousen, enz., zodat ik langzamerhand voldoende tegen de temperatuur gewapend was. Alleen de handen waren vrijwel niet warm te krijgen vermoedelijk door de boeien zijn zij lang dood gebleven. Toen ik enige malen op mijn handschoenen en schoon goed had aangedrongen, werd mij meegedeeld dat alles bij een brand op Het Onland (vermoedelijk aangestoken) verloren was gegaan.
Nadat ik, als boven beschreven, zaterdag 23 december 1944 tegen de avond in mijn cel werd gebracht en daar mijn celgenoot Wissink trof, begon het eentonige gevangenisleven.
’s Morgens om 6 uur kwam de landwacht het licht opsteken. Sommigen volstonden daarmede, anderen riepen: “Opstaan” door de al dan niet geopende deur, en een enkele, heel vriendelijke, voegde er zelfs “goeden morgen” aan toe. Aangezien wij de eerste cel ter linkerzijde van de gang waren, waren wij of het eerste, of het laatste aan de beurt, maar dankzij de gewoonte van rechts houden waren wij meestal de laatsten. Voor het wekken maakte dat weinig verschil, voor het wassen des te meer.
Men liet ons binnen de celmuren gelukkig volkomen vrij: hoorden wij dus bij de overburen het bekende commando: “wassen”, dan wisten wij dat wij nog veel tijd hadden en sliepen rustig door. In het begin, toen er nog niet zoveel gasten waren, en toen men ons nog bij 8 à 10 tegelijk in de wasruimte toeliet, toen duurde het een uurtje, later werd het vaak 8 uur à half 9 eer wij opstonden. In theorie moest het wassen met ontbloot bovenlijf geschieden, maar in de praktijk deed men zoveel of zo weinig aan de wasserij als men wilde. Velen ontbrak trouwens alles wat daarvoor nodig is; zij moesten zich met afspoelen en vanzelf weer opdrogen tevredenstellen. Vooral in die eerste tijd was het in die waskamer een gezellig boel; men sprak er met allerlei lotgenoten en hoorde nieuws van buitenaf, want vrijwel elke dag was er in een van de cellen wel een nieuwe aangekomen.
De wc was voorzien van een laag deurtje, zodat ook met de daarop zittende een prettige conversatie mogelijk was. Later toen er slechte frontberichten binnen kwamen, werd het regiem steeds strenger en kon men elkaar hoogstens met een enkel woord het belangrijkste nieuws melden.
Ik was gelukkig in het bezit van mijn wasgerij en handdoek gekomen zodat ik mij enigszins kon reinigen; grondiger deed ik het meestal in de cel, alwaar ik een beker had bemachtigd, waarmede ik, wel wat primitief, maar op mijn gemak, beurtelings mijn diverse lichaamsdelen aan een schoonmaak onderwierp.

Herhaaldelijk kwam het voor, vooral na enige vorst, dat de gehele afvoer verstopt was; het werd dan een enorme smeerboel; het water, vermengd met ander vocht, stond dan enige centimeters hoog in het waslokaal, zodat het dan maar vermeden werd, terwijl soms van de bovengelegenheid gebruik kon worden gemaakt. Na het wassen aten wij een stukje brood, dat ’s avonds voor de volgende 24 uur verstrekt werd. De dagelijkse hoeveelheid was 400 gram, het brood meestal droog, soms met enige stroop erop en tweemaal een stukje kaas. Bij mijn kleren had mijn Sachberahter, o wonder, een pot pindakaas en een pot jam uit mijn koffer meegenomen; blijkbaar vonden de H.H. dat minder naar hun smaak, want roggebrood, kaas en spek, dat er ook in had gezeten, heb ik nooit teruggezien.
Voor zover ik geen extra eten van thuis kreeg, namen wij ’s morgens wat pindakaas en ’s avonds wat jam op het brood. Bij het brood werd ’s morgens en ’s avonds een beker zeer drinkbare koffie verstrekt, die, vooral als zij goed warm was, veel goed deed.
Tussen 9 en 10 uur werden wij gelucht op de binnenplaats. Ongeveer 10 minuten mocht men dan onder toezicht achter elkaar lopen – spreken was streng verboden – in gewone pas afgewisseld door looppas; een zeer welkome variatie. Ook het lopen der andere afdelingen – de zware, de bovenverdieping en de helft van onze gang en de meisjes liepen afzonderlijk – gaf voor ons, die ze door op een stoel te staan konden zien, een welkome afleiding. Na het luchten werd een tweede deel van het brood verorberd. Daarmede begon de lange ochtend, die, liggend op een strozak, en elkaar zo goed mogelijk bezighoudend, werd doorgebracht. Tussen 12 en 2 uur kon men het warme eten verwachten: de een of ander uitstekend klaargemaakte stamppot uit de Doetinchemse gaarkeuken. Eerst kregen wij zeker 1 liter of meer, later toen er meer mensen kwamen, werd de hoeveelheid steeds geringer; de smaak bleef echter van de eerste tot de laatste dag voortreffelijk.
Gelijk de dieren in Artis stonden wij lang van tevoren reeds aan de deur te luisteren of het eten nog niet kwam, want daarom draaide eigenlijk het gehele gevangenisleven. Na het eten werd er 1 à 2 uur geslapen. Hoe het mogelijk is na een nacht van 12 uur, ’s middags nog een oog dicht te doen, is onbegrijpelijk. Maar een feit is het dat het ons best gelukte. Weliswaar sliep men natuurlijk ook ’s nachts niet vast, maar al dommelend tussen waken en dromen verstreek toch de tijd. Tussen 5 en 6 uur kon men wederom koffie en het brood voor de volgende 24 uur verwachten, zodat de middag niet lang duurde. Zolang Wissink en ik met z’n beiden waren speelden wij nogal eens kaart: smausjassen met een eigengemaakt kaartspel. Deze en andere spelen kon men maken van wc-papier, waarvoor oude schoolschriften van de jongens van de Kruisberg diende. Na het avondeten duurde het niet lang meer of wij gingen slapen, vooral later toen steeds meer op het licht bezuinigd moest worden en het om halfzeven in plaats van om acht uur, zoals in het begin, werd uitgedaan.
Bij het eten was het in het algemeen de kunst dit zo langzaam mogelijk te doen; ten eerste omdat het voedsel dan veel beter tot zijn recht komt en ten tweede omdat het een betere tijdpassering is. De warme maaltijd had het bezwaar dat het eten dan koud werd en vooral in die kille atmosfeer was juist de temperatuur van eten en drinken veel waard. Het brood echter werd als door een vogel gepikt. Wij gingen op onze strozak liggen en pikten dan met de vingers kruimel na kruimel ons brood op; meestal in vieren verdeeld: een ’s avonds, een ’s morgens bij de koffie, een in de loop van de ochtend, en ten slotte als het lukte, ’s middags ook nog een stukje.
Bij deze dagelijkse gang van zaken kwamen enkele afwisselingen. 1e. De reeds omschreven verhoren; 2e. Het bezoek van de Dokter. Ik had nl. na mijn eerste verhoren nogal een inzinking gekregen en daarvoor de Dokter – een collega gevangene – laten komen, die mij van toen af aan steeds onder toezicht hield en mij eerst dagelijks en later om den andere dag bezocht. Het was een buitengewoon prettig man, die ook moreel zeer goed werk deed; er ging altijd opgewektheid van hem uit en hij wist steeds een opbeurend woord te vinden. Hij beschikte slechts over zeer gebrekkige hulpmiddelen, maar wist daarmede wonderen te verrichten, want zelfs ernstige patiënten moest hij behandelen, er was bv. geen sprake van, dat men, hoe ernstig ziek men ook was, naar een ziekenhuis kon gaan, ik ben overtuigd dat men ons eerder liet sterven. Aangezien de Dokter vrijwel in iedere cel kwam en ook veel in de keuken bij de ganglopers, was hij meestal op de hoogte van het oorlogsnieuws en had hij wel gelegenheid het belangrijkste te vertellen. De moeilijkheid was echter, dat hij steeds op de voet werd gevolgd door een der landwachten en wel de beroerdste, door ons “knierps” genoemd; deze stond bij alle onderzoeken, zodat men zeer voorzichtig moest zijn.
Een tweede afwisseling was de barbier, die eens per week in de gang zitting hield. Men zat dan bij een heel klein kacheltje, wat op zichzelf al de moeite waard was. Verder de geregelde gangen naar de wc of waterplaats. Eerst kon dit geschieden naar behoefte, later echter kwam enige malen per dag de landwacht de deur openen en riep: “waterplaats, wc? “, gelijk anders aan de trein koffie en thee te koop wordt aangeboden.
De beste afwisselingen waren de pakken van huis, die na de eerste 14 dagen, eens per week verschenen; tweemaal vergezeld van een brief. Ze behelsden, behalve wat schoon goed, hoewel ik daarvan, dankzij het verzegelen van de door mij bewoonde vertrekken, weinig bezat, eigen gebakken brood, roggebrood, met spek, kaas, jam enz., eieren, appels, suiker en borstplaat. Tenslotte kwamen er hoe langer ons verblijf duurde, steeds meer nieuwe klanten aan, meestal ’s avonds. Men hoorde dan in de gang al bij iedere cel roepen: “hoeveel man?”, met de bedoeling om te weten waar men nog iemand bij kon proppen. Kreeg men zo’n nieuw licht in de cel, dan had dat het voordeel dat men weer eens wat van de buitenwereld hoorde, maar – langzamerhand werd de zaak zo overbevolkt, dat de schrik ons weleens om het hart sloeg, want het aantal dekens werd bv. niet verhoogd, zodat wij lange tijd maar 7 dekens voor zes man hadden. Ook moesten wij een tijd met zijn vieren op drie strozakken slapen, hetgeen ook niet meevalt. Later kregen wij los stro in plaats van zakken en dat is, mits de hoeveelheid voldoende is, veel beter en vooral warmer. Het leven was dus wel zeer eentonig, maar niet tegenstaande dat, of misschien juist daardoor, was ieder het erover eens, dat de tijd geweldig snel opschoot.
De behandeling in de gevangenis zelf was goed te noemen. Het personeel bestond uit de Chef, de Onderchef (beide Duits) en een Hollandse S.D.-soldaat, drie Duitse onderofficieren of korporaals en een aantal landwachten. Van de eerste beiden bemerkten men uiterst weinig; wat ik ervan gemerkt hebt was zeer correct, en de Chef zelfs beleefd en hulpvaardig. De Hollandse S.D.-man was een nare schreeuwerd, die echter ook weinig kwaad deed.
De drie Duitsers bemoeiden zich evenmin met ons, zij leken meer toezicht op de landwachten te moeten houden, alleen hadden zij bij het luchten het commando. Een van de drie was bepaald geestig, hij schreeuwde verschrikkelijk, maar op zijn gezicht stond te lezen dat hij er niets van meende; toen wij bv. bij ons vertrek boven in de zaal verenigd waren en het naar zijn zin niet stil genoeg was, brulde hij: “Jetzt sei man stille, sonst ist es Laufschritt”.
De landwachten waren in het algemeen ook geen kwade lieden, zij deden althans geen kwaad; de een was wat geschikter en hulpvaardiger dan de ander, beroerd waren er maar enkelen, in de allereerste plaats de reeds genoemde “knierps”, die er blijkbaar eer in stelde zo onhebbelijk en onaangenaam mogelijk te zijn, die bv. een oude Heer was 66 jaar die geen looppas deed, daartoe wilde dwingen. Verder had hij zich blijkbaar erop toegelegd uitsluitend Germanismen te gebruiken. Toen een van ons hem min of meer naar de bekende weg vroeg, zeide hij: “dat is ja klaar mens”. En toen ik hem eens om enveloppen vroeg, antwoordde hij: ” Enveloppen geeft het ja niet”. Zo was er nog wel een enkele vlegel, maar als gezegd, het geheel was behoorlijk. Handtastelijkheden heb ik bv. niet voorzien komen.
Nadat ik een kleine week met Wissink samen was geweest, kreeg hij de voor hem heugelijke tijding dat hij in de keuken kon werken; doordat hij hotelhouder was kon men hem daar natuurlijk zeer goed gebruiken. Hij was van toen af aan 6 uur ’s-morgens tot 7 à 8 uur ’s avonds afwezig. De dagen waren toen wel lang, maar ik was toen nog vrij beroerd, zodat ik veel sliep en bovendien werd veel vergoed, doordat hij altijd wel wat nieuws te vertellen had en iedere avond een extra broodje voor mij meebracht. Feitelijk mocht hij niet bij me slapen, maar op speciaal verzoek van de dokter, die het ongeschikt vond dat ik alleen bleef, werd dit toegestaan. Kerstdagen en Oud- en Nieuwjaar hebben wij samen gepasseerd, zonder dat een dezer dagen zich ook maar in het geringste van de andere onderscheidde. De S.D.-soldaat die naast ons sliep, liet zijn radio wat extra hard schallen, hetgeen bij de Kerstliederen prettig, maar bij de meeste andere stukken onaangenaam was, temeer omdat dit soms tot laat in de nacht, ja zelf eens tot vijf uur ‘s morgens duurde. Volgens zijn eigen zeggen was hij erbij ingeslapen, had het wel gemerkt, maar was te lui geweest om hem af te zetten.
Donderdag 4 januari 1945, ging laat op de middag mijn cel plotseling open, en verscheen een jongmens in overall die de plaats van Wissink innam. Wissink nam met een handdruk afscheid van mij, en behalve dat hij zo nu en dan eten en drinken bracht, heb ik hem niet meer gezien of gesproken. Het jongmens bleek 21 jaar te zijn en Martin Penseel te heten, uit Arnhem afkomstig, waar hij tegelijk met zijn vader en oudere broer was opgepakt. Hij was eerst zeer gereserveerd maar ontpopte zich later als een erg prettige en rustige, zij het wat stille jongen. De familie was als elektriciens voor de Duitsers in Arnhem werkzaam en had daardoor bij hoge uitzondering vergunning om in de binnenstad te verblijven.
Zij waren, wat herhaaldelijk voorkwam, om 2 uur bij hun Duitse chef, de zgn. Sonderführer, geroepen, alwaar een S.D.-man zat, die hen meenam. Hun familie wist dus van niets en de moeder was met één slag haar man en beide zoons kwijt. Het bleek dat zij mee hadden geholpen een Engelsche parachutist te verstoppen. Martin wist interessant over Arnhem te vertellen, hoe het stelselmatig leeg gestolen werd, wat er allemaal vernield was en hoe het leven er nog toe ging onder de enkele Hollanders die nog in de binnenstad mochten zijn, en die in de kelders van bankgebouwen en dergelijke hun woning hadden. De jongen had niet alleen niets mee kunnen nemen, maar had bovendien niets anders aan dan een namaak manchester broek en een overall met een versleten dunne overjas, zodat hij erge last van de koude had en dankbaar was mijn jas en vest te kunnen aantrekken; ik had dit nl. door de komst van mijn manchester pak overgehouden.
Zondag 7 januari 1945, ’s avonds kwam er een tweede gast, Jan Carel van Dijk. Hij was vrijwel onherkenbaar, zodat ik hem eerst moest vragen of hij het werkelijk was. Hij was donderdags tevoren opgepakt en naar het Onland gebracht. ’s Zaterdags dacht hij zijn kans schoon te zien te ontsnappen, nadat hij een hand uit de boeien had kunnen verwijderen. Hij had eerst een landwacht die hem eten kwam brengen neergeslagen, toen een S.D.- man die hem op de trap tegenkwam hetzelfde gedaan, maar was toen ongelukkigerwijze tegen 3 S.D.-kerels aangelopen en dus gevangen. Zij hebben hem toen zodanig afgedekt, dat hij zondagavond nog meer dood dan levend was. Hij had zo gebloed, dat zijn hemd onbruikbaar was geworden en natuurlijk zijn zakdoek ook. Hij had toen een schoon hemd en een gilettedoekje gekregen, erg vriendelijk van de H.H., maar zij bleken uit mijn koffer afkomstig. Wij zijn toen verder met z’n drieën gebleven en wij hebben het bijzonder prettig met elkaar gehad. De jongens waren vol zorg en wisten op moeilijke ogenblikken den goeden toon en het goede woord te vinden.
Na een dag of 10 kwam de vierde gast ons gezelschap vergroten. Een echte zwarte handelaar; een beroerde kerel, die alleen over zijn eigen ellende, die heus zo erg niet was, kon spreken. Behalve kopen en met woekerwinst verkopen en het smokkelen van waren naar Duitsland, waar hij een tijd had gewerkt, en ook al enige tijd in de gevangenis was geweest, had hij gemene zaak gemaakt met een S.D.- man. Deze maakte er zijn zaak van naar boeren te gaan waarvan hij wist dat ze dingen geruild hadden voor spek, boter en dergelijke artikelen. Hij dreigde dan met allerlei straffen en nam dan zoveel hij kon ten eigen bate in beslag. Onze celgenoot nu ging eerst bij de boeren ruilen en bracht dit dan over aan de S.D.-man, waarvoor deze hem een deel van de buit afstond. De zwarte handelaar, die vroeger in de werkverschaffing werkte, had nu hopen geld. Mijnheer stond niet voor halftien op, deed niets dan wat zwarte handel en had nergens gebrek aan. In zijn gezelschap was nog een jongen van 17 jaar, die ook bij dat zaakje betrokken was, evenals wel een 20 anderen, allen uit Doetinchem afkomstig, die echter de volgende dag weer werd losgelaten.
Nog een paar dagen later verscheen eerst een 16-jarige uit Gennep, met zijn familie geëvacueerd via Duitsland naar Zieuwent bij een boer waar ook een Pool zich verstopt had: uit dien hoofde was deze knaap ook maar meegenomen. Tenslotte kwam nog een fotograaf uit Arnhem, naar Doetinchem geëvacueerd, die een paar dagen van de graverij voor de O.T. was weggebleven.
Zes man in de cel maakte deze wel overvol, maar er was daardoor wat meer te praten en vooral te zingen, aangezien de laatst aangekomenen en vooral Martin, goede stemmen hadden. Vooral de verjaardag van prinses Beatrix werd met veel vaderlandse liederen gevierd. Trouwens ook uit andere cellen hoorde men hoe langer hoe meer zingen, op voorbeeld van de meisjes. Deze hadden meer vrijheid dan wij, werden veel langer gelucht en zongen daarbij en ook wel in de gang “houd er de moed maar in”, “Tipperary” en dergelijke zeer opwekkende versjes. Vooral Jacoba van der Kun was altijd even vrolijk; zo nu en dan konden wij haar door het raam toeknikken, maar daar ze vrij duidelijk regeerde durfden wij ons slechts weinig te vertonen.
Zo verliepen de bijna 6 weken die mijn verblijf op de Kruisberg duurde. Verwonderlijk snel in hun eentonigheid. 1 Februari 1945 kwam het bericht “Op transport”, waar ik elders meer over vertelde.


De Kruisberg was in januari 1945 overvol. Mede daarom werden 94 mannen op 2 februari per trein gedeporteerd naar Neuengamme. Onderweg wisten 17 mannen uit de trein te springen. Bosch van Rosentahl was een van hen.

Binnenkort deel 2 van zijn dagboek